zaterdag 22 maart 2014

Gekkenhuis; 1M Genoeg? Nee, 546M per jaar is NIET Genoeg...

Het onderstaande artikel behoeft geen commentaar, het spreekt voldoende duidelijk over de zieke wereld van vandaag de dag! Een jaarsalaris van 546 miljoen dollar
caroline de gruyter | NRC.nl 15 maart 2014 Op YouTube staat een filmpje waarop twee teams, één in witte shirts en één in zwarte, rondspringen en ballen overgooien. De kijker moet tellen hoe vaak het witte team de bal overgooit. Het gaat snel, je moet je concentreren. Na 30 seconden stopt het filmpje en komt de vraag in beeld: ‘Did you see the moonwalking bear?’ Dan begint het filmpje opnieuw. En verdomd: een enorme zwarte beer wandelt van rechts naar links door je scherm. Helemaal gemist, daarnet. Conclusie: ‘Easy to miss something you’re not looking for.’ Dit filmpje is gebruikt door de fietserbond in Londen, om automobilisten te waarschuwen voor fietsers. Het verklaart ook waarom weinig financiële toezichthouders de kredietcrisis zagen aankomen: niet omdat ze dom waren of hun werk niet deden, maar omdat ze op andere dingen letten. De vraag is: hebben ze ervan geleerd? Kunnen ze de volgende crisis voorkomen? Waarschijnlijk niet. Zo zijn wij banken nu zó aan het reguleren, dat we nauwelijks beseffen dat veel bankwerk allang door anderen is overgenomen. Door participatiemaatschappijen bijvoorbeeld, private equity. Deze sector is nauwelijks gereguleerd. Europarlementariërs ontploften deze week, omdat banken hoge bonussen blijven uitkeren. Begrijpelijk. Maar hier is de moonwalking bear: bij private equity verdienen topmensen veel meer. Die maatschappijen maken steeds meer winst, banken steeds minder. Bij Amerikaanse banken is de ‘rentabiliteit eigen vermogen’ (wat je verdient met eigen vermogen) afgelopen jaren gezakt naar gemiddeld 8,2 procent, bij Europese tot 4,5 procent. Bij participatiemaatschappij KKR steeg ze in 2013 naar 27,4 procent. Topman Leon Black van Apollo verdiende vorig jaar 546 miljoen dollar. Vroeger kochten die maatschappijen bedrijven, die ze na sanering met winst verkochten. Tegenwoordig verstrekken ze ook krediet, zoals hypotheken, en investeren ze in infrastructuur en onroerend goed. Waarom? Omdat banken het niet meer doen. Omdat de rentes laag zijn. En omdat banken onder scherp toezicht staan en hoge buffers moeten aanhouden. Participatiemaatschappijen zijn in het gat gesprongen. Driemaal raden waar de risico’s nu zitten. Private equity gebruikt geen spaargeld van burgers, zoals banken deden, maar wel geld van pensioenfondsen en beleggingsfondsen van overheden. Dat is gevaarlijk. Hoe meer de banksector opdroogt (de topman van de Spaanse bank BBVA voorspelt dat er „weinig banken overblijven”), hoe meer geld er bij participatiemaatschappijen zit. Die moeten omzet draaien en zoeken wereldwijd ‘projecten’. Ze kopen half Ierland op. Vorig jaar stortten ze zich massaal op Vietnam. „We weten van gekkigheid niet wat we met ons geld moeten,” zei een van hen. Dit lemmingengedrag zag je tien jaar geleden bij banken. Het Amerikaanse ministerie van Financiën en de nieuwe chef van de Bank for International Settlements in Basel, de ‘bankier van de centrale banken’, hebben al gewaarschuwd. De participatiemaatschappijen trekken hun geld soms abrupt uit projecten terug. Dat leidt tot faillissementen en economische kaalslag. Vraag het Mexicaanse bouwbedrijven of banken in Kazachstan. Mondiale regelgeving is een illusie; besluiten van de G20 worden zelden uitgevoerd. Als Europa private equity wil intomen, moet het zelf actie ondernemen. De sector heeft nu registratieplicht. De Europese Commissie wil beter toezicht, maar in een verkiezingsjaar ligt wetgeving nagenoeg stil. Dit kan spectaculair misgaan. Frustrerend: zíe je die beer een keer, kun je hem nog niet tegenhouden. Wat overheden wel kunnen doen, is het beest in de gaten houden en kwetsbare stukken publiek domein en spaargeld afschermen. Dat zou al heel wat zijn, vergeleken met vorige keer.

vrijdag 21 maart 2014

Lokale vs. Landelijke Politiek

NRC Opinie: De lokale democratie is vermoord Gemeenten fuseren, deelraden worden afgeschaft en het Rijk dicteert het beleid. Geen wonder dat de lokale verkiezingen niet leven, meent Nico Baakman. ‘Wie de lokale democratie werkelijk de nek om wil draaien, moet pleiten voor een aantal gemeenten dat onder de tweehonderd ligt”, stelde hoogleraar staatsrecht D.J. Elzinga in 1994 in het vakblad Binnenlands Bestuur. Er zijn nu nog twee keer zoveel gemeenten, maar vermoedelijk zal bij de komende raadsverkiezingen niet meer dan de helft van de kiezers opdagen. Thorbecke noemde de gemeenteraad de leerschool der democratie. Nu luidt de mantra in Den Haag dat het lokale bestuur het dichtste bij de burger staat. De vraag is natuurlijk: hoe dicht? Toen de Gemeentewet werd ingevoerd kreeg Nederland ruim 1.200 gemeenten voor 3,1 miljoen inwoners. Gemiddeld ongeveer 2.500 personen per gemeente, de meeste gemeenten zijn overigens kleiner. Maar zelfs van de allerkleinste gemeente eiste de wet een raad met negen zetels. Buiten de paar grote steden toen (Utrecht 47.000, Den Haag 70.000, Rotterdam 90.000, Amsterdam meer dan 200.000 inwoners) zal het destijds niet meegevallen zijn een kiezer te vinden die onder zijn familieleden of kennissen geen gemeenteraadslid telde. De directe participatie in het lokaal bestuur is gemiddeld dus 6,5 keer zo klein geworden Van die ruim 1.200 gemeenten is nog eenderde over, maar Nederland heeft intussen wel 16,8 miljoen inwoners. Aanvankelijk waren er dus (méér dan) 9 x 1200 = 10.800 gemeenteraadszetels. Nu zijn er nog 9.068: ruim 1.700 minder. Gemiddeld is Nederland daarmee van één zetel voor minder dan 287 inwoners naar één voor meer dan 1.850 personen gegaan. De directe participatie in het lokaal bestuur is gemiddeld dus 6,5 keer zo klein geworden. Regering wilde deelgemeenten kwijt Waarom die schaalvergroting? Den Haag vond grote gemeenten effectiever (‘meer bestuurskracht’) en efficiënter. Helaas. Aan zelfbestuur komen gemeenten nauwelijks nog toe omdat ze steeds meer rijksbeleid moeten uitvoeren. Volgens een recente schatting bestaat zo’n 85 procent van de gemeentelijke activiteiten uit medebewind. Dat doet vrezen dat het bij die schaalvergroting vooral ging om het vermogen rijksbeleid uit te voeren. Beleid waar de gemeenteraad weinig over te zeggen heeft – en zo goed als niets als het in intergemeentelijke samenwerkingsverbanden uitgevoerd wordt. Gemeenteraden mogen niet meer meebesturen en worden bovendien verkleind De Gemeentewet bood grote gemeenten de mogelijkheid intern weer te decentraliseren door deelgemeenten te scheppen. Het doel was de afstand tot de burger te verkleinen en de doelmatigheid te vergroten. Zo had Amsterdam op een gegeven moment 11 deelgemeenten en 359 volksvertegenwoordigers in plaats van 45. Grofweg één raadszetel per 2.000 Amsterdammers tegen één per 16.000. Een aanmerkelijk verschil. De regering wilde de deelgemeenten echter kwijt. In de memorie van toelichting op het wetsvoorstel staat: ‘Voor de beoordeling van de deelgemeenten is voor het kabinet niet van doorslaggevend belang geweest of zij hebben bijgedragen aan goede dienstverlening en het overbruggen van de afstand tussen de overheid en de burgers; dat kan immers ook op andere manieren en zonder politiek-bestuurlijke kop’. Wat die andere manieren zouden kunnen zijn staat er niet bij. Samenvattend: er zijn al meer dan 800 gemeenteraden opgeheven en de ter compensatie van de schaalvergroting ingestelde deelraden wacht hetzelfde lot. Daardoor is de participatie in het lokaal bestuur 6,5 keer zo klein geworden. Gemeenten houden zich overwegend nog bezig met het uitvoeren van rijksbeleid waar de raad nauwelijks greep op heeft. Voor het overige mogen gemeenteraden niet meer meebesturen en ze worden bovendien verkleind. Zou dat kunnen verklaren waarom voor de helft van de kiezers de lokale democratie dood is? Het kabinet noemt dit decentraliseren, maar het is gewoon medebewind Sluipmoord op de lokale democratie Intussen meent dit kabinet dat veel beleid effectiever dicht bij de burgers vormgegeven kan worden en het wil daarom taken naar de gemeenten overhevelen. Dat noemt het decentraliseren, maar het is gewoon medebewind. Te kleine gemeenten kunnen dat niet aan en dus komt een andere oude bekende om de hoek kijken: schaalvergroting. Honderdduizend inwoners zou de ondergrens moeten worden. Gevolg is ten hoogste een raadslid voor 2.564 inwoners en her en der nog minder; gemiddeld wordt het zeker tien keer zo weinig als onder Thorbecke. De ‘decentralisatie’ begint op gang te komen, maar de gemeentelijke opschaling niet echt. En dus dreigt nog meer medebewind in intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, buiten het zicht van de gemeenteraden. Die verbanden noemde D66-leider Alexander Pechtold daarom „de grootste sluipmoordenaar van de lokale democratie” en hij riep het kabinet op meer werk te maken van… de gemeentelijk herindeling. Gaat dat lukken dan zal het aantal gemeenten ver onder de 200 zakken en kan blijken of Elzinga helemaal gelijk krijgt. Pechtold had het in elk geval niet: de sluipmoord op de lokale democratie is in Den Haag beraamd. Nico Baakman is politicoloog aan de universiteit van Maastricht.

De Participatie-Samenleving; geen bezwaar maar alleen als er een visie onder ligt (1)

Werken voor een uitkering. Wanneer WEL Wanneer NIET Te weinig politie voor alle taken die er voor de politie zijn, politie soms te hoog opgeleid voor sommige taken. Dan kan je denken aan Vrijwilligers, mensen met weinig kwalificaties, mensen met weinig ervaring. Maar die kan je weer lang niet alles, en zeker niet zelfstandig, laten doen. Laten we eens kijken naar het volgende artikel uit NRC (2014) PERDIEP RAMESAR − 17/12/13, 00:00 Onderzoeker: Laat stadswacht geen politiewerk doen Gemeentelijke handhavers moeten zich bezighouden met overlast en beslist niet met criminaliteitsbestrijding. Ook moeten deze buitengewone opsporingsambtenaren (boa's) geen deel van de Nationale Politie uitmaken, zoals sommige wetenschappers hebben voorgesteld. Dat stelt bestuurskundige en criminoloog Eric Bervoets van onderzoeksbureau Lokale Zaken in het onderzoek 'Gemeentelijk blauw; het dagelijks werk van gemeentelijke handhavers in beeld', dat vandaag uitkomt. Voor dat boek deed hij in opdracht van het onderzoeksprogramma Politie & Wetenschap onderzoek in Apeldoorn, Ede, Zeist, Capelle aan den IJssel, Deurne en Geldrop-Mierlo. De gemeentelijke handhavers zijn er volgens Bervoets vooral voor de overlastbestrijding omwille van de leefbaarheid. Het verschilt per gemeente welke problemen (bijvoorbeeld jeugdoverlast, drank en horeca of huisvuil) de meeste aandacht krijgen. Daardoor kan de handhaver in Capelle aan den IJssel andere taken hebben in de overlastbestrijding dan die in Ede of Den Haag. Vanwege de lokale rol is het volgens het onderzoek 'verstandig' om het beheer onder het stadsbestuur te houden, want die weet als geen ander wat er binnen de gemeentegrenzen speelt. De politie richt zich veel minder op lokale overlastproblemen en meer op de aanpak van (bovenlokale) criminaliteit. Vanwege de verschillen moeten de gemeentelijke handhavers voorlopig niet onder de Nationale Politie komen. Bij de komst van de Nationale Politie pleitten sommige wetenschappers daarvoor, zodat het volledige veiligheidsdomein onder de politie valt. "Het gemeentebestuur kan nu geheel zelf bepalen waarvoor ze de handhavers gaat inzetten. Als die ook onder de Nationale Politie komen, zijn de gemeenten hun toezichthouders kwijt en zijn ze afhankelijk van de korpsleiding, de minister en hun planning en budgetten", zegt Bervoets. Gemeenten krijgen steeds meer taken die voorheen onder het Rijk vielen. Daar horen ook handhavingstaken bij, zoals die van de drank- en horecawet die voorheen bij de Voedsel- en Warenautoriteit lag. In alle onderzochte gemeenten is die verruiming van taken gaande. Dat is ook te zien, sommige boa's dragen bijvoorbeeld al handboeien. Dan kunnen ze bijvoorbeeld bij een aanhouding een overlastgevende jongere beter vasthouden, terwijl ze wachten op de politie. De handhavers en de politie moeten gescheiden blijven werken, maar moeten wel informatie kunnen uitwisselen over bijvoorbeeld overlastmeldingen. De gemeente Den Haag en de politie-eenheid Den Haag bepaalden vorige week dat agenten en handhavers op een paar bureaus samen op pad gaan. Volgens Bervoets hoeft daar niets mis mee te zijn, mits de taken gescheiden blijven. "Het risico bestaat dat politiemensen met de handhavers erbij denken dat er een reservemacht bij is gekomen die ook meedoen met criminaliteitsbestrijding." Aanbevelingen uit het onderzoek Gemeentelijke handhavers moeten een gelijkwaardige positie krijgen naast de politie. Beide groepen hebben afgebakende terreinen en taken. Handhavers voor overlast, bestuurlijk toezicht en eventueel criminaliteitspreventie. Politie voor opsporing en oppakken voor criminelen en grote openbare-ordekwesties. De handhavers zijn relatief veel op straat en hebben daardoor veel kennis van de wijken. De handhavers kunnen daarom, nog beter en meer dan nu, door de politie worden bevraagd op hun lokale kennis ('straatinformatie'). Het is van groot belang dat de handhavers kunnen beschikken over dezelfde 'lifeline' als de andere hulpdiensten, wat - in tegenstelling tot het beleid - betekent: alle handhavers moeten toegang hebben tot het communicatiesysteem C2000 of een alternatief meldkamersysteem. Wat kunnen we hiervan leren? .... .... ?

zondag 24 november 2013

Zo zou het moeten, maar als 'de mensen het niet willen'...dan houdt het (voorlopig) op...

NRC 24 november 2013, 14:04 Zwitsers stemmen tegen korting topinkomens Zwitserland Een huis in Zwitserland met een vlag van de voorstanders van een beperking van de topinkomens. De bevolking lijkt het plan om topbestuurders maximaal twaalf keer het minimumloon te laten verdienen echter af te wijzen in een referendum vandaag.
Foto AP / Arno Balzarini door Niels Posthumus Buitenland Kiezers in Zwitserland lijken vandaag het plan om een limiet te stellen aan topsalarissen via een referendum te hebben verworpen. Voorgesteld was om topmensen binnen het bedrijfsleven maximaal twaalf keer het minimumloon te laten verdienen. Een meerderheid van de deelnemers aan het referendum stemde echter tegen, meldt persbureau AP. De Jonge Socialisten hadden de volksraadpleging aangevraagd. In Zwitserland kan een referendum worden gehouden als een initiatiefnemer 100.000 handtekeningen verzamelt. De Jonge Socialisten vinden dat bankdirecteuren en topbestuurders van grote bedrijven buitensporig veel verdienen. Met de uitkomst van het referendum geven de Zwitsers gehoor aan het dringende advies van de regering om het voorstel van de Jonge Socialisten te verwerpen. De regering stelt dat de staat niet moet bepalen hoeveel geld iemand verdient. Bovendien waarschuwde zij dat de belastinginkomsten zouden kelderen als de topsalarissen fors zouden worden teruggebracht. 1812 keer het minimumloon Sommige topmensen in Zwitserland verdienen maar liefst ruim 200 keer het Zwitserse minimumloon. Dat minimumloon bedraagt 2200 tot 3200 euro per maand, afhankelijk van de regio waar een bedrijf is gevestigd. En dan zijn er natuurlijk ook nog echte uitschieters. De directeur van de bank Crédit Suisse heeft bijvoorbeeld een inkomen dat 1812 keer hoger is dan het minimumloon. Dit komt neer op een jaarinkomen van 72 miljoen euro. Dergelijke megasalarissen wekten de laatste tijd steeds meer ergernis in Zwitserland, zeker in combinatie met ontslagrondes binnen veel bedrijven als gevolg van de economische crisis. Maar volgens de peilingen zijn de tegenstanders van de beperking van topsalarissen bij het referendum van vandaag nadrukkelijk in de meerderheid. Zo’n 65 zou tegen de verlaging van de topsalarissen zijn, slechts 35 procent voor. De leider van de Jonge Socialisten heeft zijn nederlaag dan ook al erkend. Lees meer over: Crédit Suisse referendum topsalarissen Zwitserland

dinsdag 1 oktober 2013

Mijmeren over hoe het beter zou kunnen...

...uit onderstaande column van Rob Schouten blijkt dat meer mensen de politiek van vandaag-de-dag met stijgende verbazing en/of afkeer bezien, en nadenken over oplossingen om het beter te laten gaan. Deze column stelt een wel heel erg originele vernieuwende optie voor, gebaseerd op een wel heel erg treurige conclusie... Soort zoekt soort Rob Schouten, Trouw 27/09/13 De term 'politiek dier' zegt genoeg; de politiek is een dierentuin, een menagerie. Ik ben beslist geen politiek dier in strikte zin, ik volg niet voortdurend wat er allemaal in Den Haag gebeurt en vaak weet ik niet eens tussen welke kwaden en goeden ik moet kiezen. Soms voel ik me zelfs geen echte democraat, en woelen er in mij boze verlangens naar een ouderwetse meritocratie en ook heb ik wel eens gedachten gewijd aan het nut van een moreel censuskiesrecht. Tussen ondemocraten bestaan trouwens grote verschillen. Grote denkers als Plato en Nietzsche waren helemaal geen democraat, maar dictators als Loekasjenko en Mugabe zijn het ook niet. Toch is de parlementaire democratie in elk geval voor de kijker de beste politieke staatsvorm - of je moet dol zijn op militaire parades en gesloten bolwerken natuurlijk. Je kunt mij geen groter plezier doen dan met parlementaire enquêtes en algemene beschouwingen. Dan is de dierentuin volop in beweging. Ik heb ooit tijdens een vakantie in Afrika naar een drinkplaats in een wildpark zitten kijken. Er kwam van alles en nog wat lebberen (leeuwen, neushoorns, giraffen), iedereen kende zijn plaats of werd erop gewezen. De olifanten duwden een opdringerige neushoorn opzij, zebra's en wrattenzwijntjes kwamen niet kijken als er ook leeuwen waren. Ik heb me wel eens geprobeerd voor te stellen hoe het zou zijn als de leden van de Tweede Kamer, anders dan hun dierlijke instinct ze ingeeft, niet per partij maar op alfabet geordend zouden zitten. Geert Wilders tussen Steven Weyenberg van D66 en Jan de Wit van de SP in, Emile Roemer ingeklemd tussen Jeroen Recourt van de PvdA en Michel Rog van het CDA. Of afwisselend mannen en vrouwen, als bij een tafelschikking (gaat helaas niet, er zijn 61 vrouwen en 89 mannen). Of leden die te veel met elkaar zitten te praten uit elkaar halen en elders neerzetten, zoals ons dat vroeger in de schoolklas overkwam. Ongemakkelijk, geen geestverwanten om je heen die je juichend inhalen als je iets moois gezegd hebt, geen gefluister achter je hand met je buurman als je tegenstander iets venijnigs zegt. Ieder voor zich. Wel met een partijprogramma op zak maar zonder elkaars hand vast te houden. Het zou de geest van de Tweede Kamer totaal veranderen, het zou veel meer een echte afspiegeling van de samenleving worden, een heuse democratie. Ik leef ook naast mensen die ik niet zelf gekozen heb. Soms zit er een reuze-exemplaar of een sublieme schoonheid bij, maar er zijn er ook die onaangenaam rieken of mij veel te veel praten. Maar nee, zodra ze de kans krijgen gaan mensen soort bij soort zitten en koesteren zich aan elkaars gelijkgestemde warmte. Na afloop van zijn sermoen waarin Geert Wilders Alexander Pechtold voor 'miezerig mannetje' had uitgekreten, ging hij tevreden glimlachend zitten, de held van zijn vrienden, waarvan Pechtold het morele gehalte zojuist in twijfel had getrokken. En Pechtold werd vol begrip opgevangen door zijn democratische soortgenoten. Gettovorming en sektarisme, dat is het eigenlijk. Wat ik al zei: net dieren.

zondag 10 februari 2013

Kosten van de (toekomstige) zorg (NRC)

Rotterdam. Door onze redacteur Wim Köhler | pagina 16 - 17

[afbeelding]
De verontwaardiging over de plannen om dure medicijnen tegen de ziekten van Pompe en Fabry niet meer te vergoeden uit de basisverzekering leverde vorige week een opmerkelijke ingezonden brief op. Er is „een voordelige aanpak mogelijk”: gentherapie. „Alle kennis en instrumenten [...] zijn voorhanden”, stond in de brief van drie Rotterdamse hoogleraren.
Hoe werkt die gentherapie dan? Wanneer kunnen de eerste patiënten worden behandeld?
Gentherapie tegen de ziekte van Pompe wordt in Rotterdam ontwikkeld, binnen een groot Europees onderzoeksproject. Canadezen werken aan gentherapie tegen Fabry.
Rotterdamse muizen met de ziekte van Pompe die gentherapie kregen „hollen binnen een maand, vrijwillig, de afstand van Rotterdam naar Parijs. In een tredmolentje in hun kooi. Muizen met Pompe halen Brussel niet.” Dat zegt hoogleraar Gerard Wagemaker van het Erasmus MC, één van de ondertekenaars van de brief. Hij is aan de telefoon vanuit het Weizmann Instituut in Israël, waar hij aan het werk is tijdens een sabbatical.
Wagemaker ontwikkelde met Europese collega’s gentherapie in bloedstamcellen. Die bloedstamcellen winnen de onderzoekers uit de jonge bloedcellen die met een beenmergpunctie uit de patiënt (of, voorlopig nog: het proefdier) zijn gehaald. Gentherapie wordt dus buiten het lichaam gegeven (zie tekening). Bij gentherapie worden cellen van de patiënt samengebracht met een op vele punten kunstmatig aangepast virus. Dat dringt de cellen van de patiënt binnen en plaatst daar het ziektecorrigerende gen tussen alle andere genen van de patiënt. Het virus is zo veranderd dat het niet meer ziek maakt en zich niet meer kan vermenigvuldigen. De veranderde bloedstamcellen gaan met een infuus terug in de patiënt. Die stamcellen delen, met het nieuwe gen, en uit die cellen groeien alle benodigde bloedcellen: bloedplaatjes, rode bloedcellen en de witte bloedcellen van het afweersysteem in al hun variëteit.
Na gentherapie op bloedstamcellen komt het eiwit in het bloed terecht. Het lichaam moet een mechanisme hebben om het eiwit op de juiste plek in het lichaam af te leveren. De eiwitten (het zijn enzymen voor de stofwisseling) die bij patiënten met de ziekten van Pompe en van Fabry ontbreken of kreupel zijn, worden van nature via het bloed getransporteerd. Dat bespoedigt het ontwikkelen van succesvolle gentherapie. Het veertigtal zeldzame erfelijke ziekten met vergelijkbare enzymdefecten als Pompe en Fabry was daardoor al vroeg kandidaat voor gentherapie.
„En de meeste ervan kunnen met de door ons ontwikkelde techniek worden behandeld”, zegt Wagemaker. Hij somt op: „Gentherapie voor de ziekten van Pompe, Fabry, Hurler en Krabbe zijn zover dat over minimaal twee jaar de eerste behandeling bij patiënten mogelijk is. In Milaan en Parijs zijn al patiëntproeven voor de nauw verwante ziekten metachromatische leukodystrofie en adrenoleukodystrofie.”
Een eerste Europees experiment gebeurt, verwacht Wagemaker, bij ernstig zieke baby’s. Dat zijn de bad risk patiënten met slechte vooruitzichten. „Het is een zeldzame ziekte. Je moet het dus samen doen. Ik denk dat we met Britten en Fransen in twee jaar tijd tien patiëntjes kunnen behandelen.”
Als die proeven slagen, kan de behandeling voor meer patiënten beschikbaar komen. Het is afwachten hoe goed gentherapie nog werkt bij patiënten met een mildere vorm van de ziekte van Pompe, die al een aantal jaren ziek zijn en verslechteren.
Wagemaker: „De vraag is ook hoe je de behandeling het best en het snelst aan alle patiënten beschikbaar kan stellen: via een bedrijf of via academische centra. Voor die eerste patiëntentrial hebben we minimaal vijf miljoen euro nodig. Als je het academisch houdt heb je overheidsgeld nodig, maar de overheidssubsidie voor onderzoek loopt schrikbarend terug. Ik denk erover om een bedrijfje op de rails te zetten.”




dinsdag 5 februari 2013

Basis-inkomen

'Belachelijk!' dat is, nu nog meer dan een aantal jaren geleden, de eerste reactie die mensen geven wanneer je 'een Basisinkomen voor iedereen' bepleit. Toch ben ik er al vele jaren een groot voorstander van, sterker nog: ik ben ervan overtuigd dat het zeer veel economische, sociale, en politieke problemen waarmee wij nu (en vaak al heel lang) mee kampen, op zou kunnen lossen.

Bovendien: het systeem bestaat en werkt, volgens mijn laatste informatie, ook nog eens heel goed; in Nieuw-Zeeland kennen ze namelijk zo'n systeem. Daarover een andere keer wellicht meer.

Nu eerst een interview met iemand die er ook voor is (uit NRC, 2012):

Het ‘goede leven’ in plaats van groei



Edward Skidelsky, door Alex MacNaughton gefotografeerd in de tuin van Saxon Lodge, het huis van zijn vader. De fotograaf: „Nu je het zegt, deze foto lijkt heel erg op de coverfoto van het Supertramp-album Crisis? What crisis uit 1975.”
Door onze redacteur Cees Banning | pagina 2 - 3
Het lijkt op een pleidooi uit andere tijden: we moeten minder gaan werken, minder consumeren en iedereen heeft recht op een basisinkomen. Omdat het ‘goede leven’ belangrijk is. De Britse economisch filosoof Edward Skidelsky weet dat veel mensen zullen denken dat hij op een andere planeet leeft. Maar met zijn boodschap wil hij het perspectief voor de lange termijn schetsen. „Deze recessie is een wake up call”, zegt Skidelsky.
De financiële crisis van 2008 illustreert volgens hem een institutioneel, een moreel en intellectueel falen. „Banken waren casino’s en het overheidsbeleid was eendimensionaal gericht op de heilige drie-eenheid: groei, groei, groei. En wat heeft het ons gebracht?” Skidelsky neemt de tijd om zelf het antwoord te geven. „De armen werden armen, de rijken werden rijker. En we bevinden ons in een crisis waarvan het einde nog niet in zicht is.”
De les van de huidige recessie? Never waste a good crisis, citeert Skidelsky de Amerikaanse Nobelprijswinnaar Milton Friedman. „Economie moet weer een morele wetenschap worden”, zegt Skidelsky. „Politici moeten het ‘goede leven’ als basis voor het beleid, niet economische groei.”
Edward Skidelsky schreef samen met zijn vader Robert Skidelsky How Much is Enough. The Love of Money, and the Case for the Good Life. De eerste druk verscheen dit jaar en het boek is in 16 talen vertaald, waaronder het Chinees, Portugees, Japans, Duits, Servisch, Turks – begin volgend jaar verschijnt een Nederlandse vertaling.
Het boek leidt tot heftige reacties. Rechtse opiniemakers vinden het pleidooi voor het goede leven „utopisch gezwam”, hun linkse opponenten spreken van een „lonkend perspectief”. De aartsbisschop van Canterbury Rowan Williams gebruikt het boek tijdens zijn diensten om te waarschuwen voor de excessen van het hedendaagse kapitalisme – „de giftige hebzucht” en „de roofbouw op grondstoffen”.
Edward Skidelsky logeert in het huis van zijn ouders – Saxon Lodge, een gerestaureerd huis uit de 18de eeuw in Seaford, aan de zuidkust van Engeland. Vanuit de tuin is de zee te zien en te ruiken, meeuwen cirkelen om het woonhuis van zijn ouders. Skidelsky doceert aan de University of Exeter, zo’n 250 kilometer ten westen van Seaford. „Het is traditie om hier Kerst te vieren”, vertelt Skidelsky.
How Much is Enough is geïnspireerd op een essay van John Maynard Keynes – niet verwonderlijk gezien de preoccupatie van Robert Skidelsky voor de Engelse econoom. De emeritus-hoogleraar schreef in drie kloeke delen een uitputtende biografie van Keynes (1883-1946). Vader en zoon zijn fan van Keynes, maar sceptisch over de Keynesiaanse politiek. „Die bestaat eigenlijk niet”, vindt Edward. „Iedereen moddert maar wat aan met verwijzing naar Keynes.” Uit het blote hoofd citeert hij een van de beroemdste passages uit Keynes’ General Theory: „‘Mensen uit de praktijk die denken dat ze onafhankelijk van welke intellectuele invloed dan ook zijn, zijn normaal gesproken slechts slaven van een of andere dode econoom.’ En soms is dat Keynes.”
Economie is volgens Skidelsky een technische wetenschap geworden – als een beleidsopvatting niet in een model past, klopt het niet. „Economie zou ethische doelen moeten nastreven, en dat is de reden waarom Keynes ons zo aanspreekt.”
In 1930 schreef ‘de grote meester’ een essay, Economic Possibilities for our Grandchildren. Keynes voorspelde dat in honderd jaar het inkomen per hoofd van de bevolking gestaag zou groeien. In 2030 zou niemand meer dan drie uur per dag hoeven te werken om te voorzien in zijn levensbehoeften. Machines nemen het werk over. Het ‘economisch probleem’ is opgelost en de mens kan zich overgeven aan het ‘goede leven’. Leisure is niet niets doen, maar het gaat om zelfontplooiing, zorg voor naasten, en andere zaken die de kwaliteit van het leven bevorderen.
Wat betreft de voorspelling van de inkomensgroei was Keynes „redelijk adequaat”, zegt Skidelsky, maar wat betreft de werkweek zit hij er volledig naast. „Keynes hield rekening met een werkweek van 20 uur in 2010, terwijl die in Westerse landen gemiddeld rond de 40 uur lag.”
Waar ging het mis?
„Keynes dacht in kwantiteiten. Je kunt maar een beperkte hoeveelheid voedsel eten, je kunt maar een paar schoenen dragen, je kunt maar in één huis wonen. Mensen kunnen verzadigd raken. Keynes had geen oog voor de continue verbetering van producten, die een stimulans is voor een steeds stijgende consumptie. Je ziet het aan een product als de iPad. Steeds wordt het apparaat verbeterd, en dat creëert steeds een nieuwe vraag. Je moet dus werken, een inkomen genereren, om steeds aan de vraag te kunnen voldoen.
„Keynes onderschatte ook de rat race – hebben we veel, willen we nog meer. Behoeften zijn relatief, niet absoluut. Het gras is bij de buurman altijd groener. Hoe rijker we worden, des te meer we onze relatieve armoede ervaren.
„En Keynes had geen oog voor het effect van reclame. Reclame creëert behoefte. Door reclame is het ‘goede leven’ gelijk aan consumeren. Je moet hard werken om te consumeren. Hard werken is stoer. De kunst om jezelf te vermaken in je vrije tijd is – ik chargeer – verdwenen.”
Uw boek zou beter zijn ontvangen als de westerse wereld zich niet in een recessie bevond.
„Dat is waar, maar wij willen een langetermijnperspectief schetsen. De crisis illustreert het failliet van het systeem. De afgelopen twintig jaar is de inkomensongelijkheid in de westerse wereld sterk gegroeid – en obsceen. We leven in een overspannen maatschappij. We putten onze natuurlijke hulpbronnen uit. We moeten onze levensstijl aanpassen.”
In uw boek noemt u de uitputting van natuurlijke grondstoffen niet als argument voor een gematigde groei.
„Dat hebben we bewust gedaan. Technologische innovaties leidt tot een ander, efficiënter gebruik van grondstoffen. We kiezen voor een morele invalshoek als motivatie voor ons pleidooi, niet voor een ‘grenzen aan de groei’ benadering.”
Voor de korte termijn is economische groei gewenst om uit de misère te komen?
„We moeten uit de huidige economische crisis groeien. Maar groei is niet meer dan een medicijn – Prozac, om de patiënt weer even op de been te helpen. Daarna wordt het tijd om de wereld van het geld fundamenteel aan te passen aan de reële wereld. Winst moet weer een middel worden, niet een doel. Economische groei is niet het belangrijkste.”
Wat is de rol van de staat?
„De staat moet de condities creëren voor een goed leven. Als, met een verwijzing naar Keynes, individuen bij het najagen van het eigenbelang tegelijkertijd het algemeen belang zouden dienen, dan kan de politicus naar huis. Zo is het niet, en elk tijdperk moet zijn eigen agenda opstellen. Die zou nu moeten zijn: het goede leven.”
En dat betekent concreet?
„De staat moet inzetten op volledige werkgelegenheid. Niet een 40-urige werkweek, maar geleidelijk het aantal uren terugbrengen. En de staat moet de burgers voorzien van een basisinkomen, waardoor de keuze tussen werken en niet-werken makkelijker kan worden gemaakt.”
Dat klinkt als een ego uit het verleden. Thomas Moore pleitte in 1517 al voor zo’n inkomen. In de jaren zeventig zag ‘links’ in Nederland het als een middel voor de herverdeling van de arbeidstijd. ‘Rechts’ zag het als een middel om mensen te prikkelen de handen uit de mouwen steken.
„Wij grijpen terug naar oude ideeën, want door het beleid van Ronald Reagan in de Verenigde Staten en Margaret Thatcher in Groot-Brittannië en hun heilig geloof in de werking van het vrije marktmechanisme zijn we ver teruggeworpen in het denken.”
Een basisinkomen voor iedereen, hoe wilt u dat financieren?
„We hebben voor Groot-Brittannië een berekening gemaakt waarbij mensen een inkomen van 5.000 pond (6.200 euro, red.) krijgen. Dit kan gefinancierd worden door een belasting te heffen op financiële transacties, de Tobintaks.”
En hoe wilt u de consumptie beteugelen?
„De overheid zou de druk op consumeren kunnen verminderen door advertenties aan banden te leggen. En de burgers erop wijzen wat de gevolgen zijn van hun ongeremde consumptie voor bijvoorbeeld hun eigen gezondheid en het milieu.”
„En we pleiten voor een verschuiving van de belastingheffing van arbeid naar consumptie. Denk daarbij bijvoorbeeld aan een progressieve consumptiebelasting die kan oplopen tot 75 procent.”
How Much is Enough is geschreven voor de rijke geïndustrialiseerde wereld.
„Het gaat om de keuzes die een land maakt. Steeds meer werken, of genieten van het goede leven. Landen als China streven naar een levensstandaard die wij al hebben. Wij moeten niet de concurrentie met China aangaan, want op veel terreinen kunnen ze goedkoper produceren. Het Westen moet zijn eigen unieke eigenschappen verder ontwikkelen. Een groter deel van het wereldinkomen zal in de opkomende landen worden verdiend, maar dat betekent niet dat wij in het Westen geen andere keus kunnen maken hoe we met die welvaart omgaan en ons leven indelen.”
En wanneer zal de Partij voor het Goede Leven worden opgericht?
„Onze voorstellen zijn politiek erg aantrekkelijk. Vraag je aan mensen in wat voor samenleving ze zouden willen leven dan kiezen ze voor een samenleving waar mensen minder werken, harmonieus met elkaar omgaan en een eerlijke inkomensverdeling. Maar het is niet een keuze die mensen individueel kunnen maken. Het is een besluit op politiek niveau en een besluit dat door de komende generaties genomen zal worden.”
Het onderwijs gaat daarbij dus een belangrijke rol spelen?
„Zeker. Nu is het onderwijs te veel gericht op geld verdienen en carrière maken. Maar er is meer in het leven. Hoe ga je om met vrije tijd? Wat kun je betekenen voor de samenleving? Genoeg is genoeg. We moeten de tredmolen van de ongebreidelde consumptiedrift stoppen.”

Economisch filosoof

Edward Skidelsky (1973) doceert filosofie aan de University of Exeter. Hij studeerde filosofie en theologie aan de University of Oxford. Hij is de zoon van Robert Skidelsky (1939). Oud-hoogleraar aan de University of Warwick, eerst in Internationele Betrekkingen, later in Politieke Economie. Sinds 1991 is Robert Skidelsky lid van het Britse Hogerhuis.