'Belachelijk!' dat is, nu nog meer dan een aantal jaren geleden, de eerste reactie die mensen geven wanneer je 'een Basisinkomen voor iedereen' bepleit. Toch ben ik er al vele jaren een groot voorstander van, sterker nog: ik ben ervan overtuigd dat het zeer veel economische, sociale, en politieke problemen waarmee wij nu (en vaak al heel lang) mee kampen, op zou kunnen lossen.
Bovendien: het systeem bestaat en werkt, volgens mijn laatste informatie, ook nog eens heel goed; in Nieuw-Zeeland kennen ze namelijk zo'n systeem. Daarover een andere keer wellicht meer.
Nu eerst een interview met iemand die er ook voor is (uit NRC, 2012):
Het ‘goede leven’ in plaats van groei
Edward Skidelsky, door Alex MacNaughton gefotografeerd in de tuin
van Saxon Lodge, het huis van zijn vader. De fotograaf: „Nu je het
zegt, deze foto lijkt heel erg op de coverfoto van het
Supertramp-album Crisis? What crisis uit 1975.”
Door onze redacteur Cees Banning | pagina 2 - 3
Het lijkt op een pleidooi uit andere tijden: we moeten minder gaan
werken, minder consumeren en iedereen heeft recht op een
basisinkomen. Omdat het ‘goede leven’ belangrijk is. De Britse
economisch filosoof Edward Skidelsky weet dat veel mensen zullen
denken dat hij op een andere planeet leeft. Maar met zijn boodschap
wil hij het perspectief voor de lange termijn schetsen. „Deze
recessie is een wake up call”, zegt Skidelsky.
De financiële crisis van 2008 illustreert volgens hem een
institutioneel, een moreel en intellectueel falen. „Banken waren
casino’s en het overheidsbeleid was eendimensionaal gericht op de
heilige drie-eenheid: groei, groei, groei. En wat heeft het ons
gebracht?” Skidelsky neemt de tijd om zelf het antwoord te geven.
„De armen werden armen, de rijken werden rijker. En we bevinden ons
in een crisis waarvan het einde nog niet in zicht is.”
De les van de huidige recessie? Never waste a good crisis,
citeert Skidelsky de Amerikaanse Nobelprijswinnaar Milton Friedman.
„Economie moet weer een morele wetenschap worden”, zegt
Skidelsky. „Politici moeten het ‘goede leven’ als basis voor
het beleid, niet economische groei.”
Edward Skidelsky schreef samen met zijn vader Robert Skidelsky How
Much is Enough. The Love of Money, and the Case for the Good Life.
De eerste druk verscheen dit jaar en het boek is in 16 talen
vertaald, waaronder het Chinees, Portugees, Japans, Duits, Servisch,
Turks – begin volgend jaar verschijnt een Nederlandse vertaling.
Het boek leidt tot heftige reacties. Rechtse opiniemakers vinden
het pleidooi voor het goede leven „utopisch gezwam”, hun linkse
opponenten spreken van een „lonkend perspectief”. De
aartsbisschop van Canterbury Rowan Williams gebruikt het boek tijdens
zijn diensten om te waarschuwen voor de excessen van het hedendaagse
kapitalisme – „de giftige hebzucht” en „de roofbouw op
grondstoffen”.
Edward Skidelsky logeert in het huis van zijn ouders – Saxon
Lodge, een gerestaureerd huis uit de 18de eeuw in Seaford, aan de
zuidkust van Engeland. Vanuit de tuin is de zee te zien en te ruiken,
meeuwen cirkelen om het woonhuis van zijn ouders. Skidelsky doceert
aan de University of Exeter, zo’n 250 kilometer ten westen van
Seaford. „Het is traditie om hier Kerst te vieren”, vertelt
Skidelsky.
How Much is Enough is geïnspireerd op een essay van John Maynard
Keynes – niet verwonderlijk gezien de preoccupatie van Robert
Skidelsky voor de Engelse econoom. De emeritus-hoogleraar schreef in
drie kloeke delen een uitputtende biografie van Keynes (1883-1946).
Vader en zoon zijn fan van Keynes, maar sceptisch over de
Keynesiaanse politiek. „Die bestaat eigenlijk niet”, vindt
Edward. „Iedereen moddert maar wat aan met verwijzing naar Keynes.”
Uit het blote hoofd citeert hij een van de beroemdste passages uit
Keynes’ General Theory: „‘Mensen uit de praktijk die denken dat
ze onafhankelijk van welke intellectuele invloed dan ook zijn, zijn
normaal gesproken slechts slaven van een of andere dode econoom.’
En soms is dat Keynes.”
Economie is volgens Skidelsky een technische wetenschap geworden –
als een beleidsopvatting niet in een model past, klopt het niet.
„Economie zou ethische doelen moeten nastreven, en dat is de reden
waarom Keynes ons zo aanspreekt.”
In 1930 schreef ‘de grote meester’ een essay, Economic
Possibilities for our Grandchildren. Keynes voorspelde dat in
honderd jaar het inkomen per hoofd van de bevolking gestaag zou
groeien. In 2030 zou niemand meer dan drie uur per dag hoeven te
werken om te voorzien in zijn levensbehoeften. Machines nemen het
werk over. Het ‘economisch probleem’ is opgelost en de mens kan
zich overgeven aan het ‘goede leven’. Leisure is niet
niets doen, maar het gaat om zelfontplooiing, zorg voor naasten, en
andere zaken die de kwaliteit van het leven bevorderen.
Wat betreft de voorspelling van de inkomensgroei was Keynes
„redelijk adequaat”, zegt Skidelsky, maar wat betreft de werkweek
zit hij er volledig naast. „Keynes hield rekening met een werkweek
van 20 uur in 2010, terwijl die in Westerse landen gemiddeld rond de
40 uur lag.”
Waar ging het mis?
„Keynes dacht in kwantiteiten. Je kunt maar een beperkte
hoeveelheid voedsel eten, je kunt maar een paar schoenen dragen, je
kunt maar in één huis wonen. Mensen kunnen verzadigd raken. Keynes
had geen oog voor de continue verbetering van producten, die een
stimulans is voor een steeds stijgende consumptie. Je ziet het aan
een product als de iPad. Steeds wordt het apparaat verbeterd, en dat
creëert steeds een nieuwe vraag. Je moet dus werken, een inkomen
genereren, om steeds aan de vraag te kunnen voldoen.
„Keynes onderschatte ook de rat race – hebben we
veel, willen we nog meer. Behoeften zijn relatief, niet absoluut. Het
gras is bij de buurman altijd groener. Hoe rijker we worden, des te
meer we onze relatieve armoede ervaren.
„En Keynes had geen oog voor het effect van reclame. Reclame
creëert behoefte. Door reclame is het ‘goede leven’ gelijk aan
consumeren. Je moet hard werken om te consumeren. Hard werken is
stoer. De kunst om jezelf te vermaken in je vrije tijd is – ik
chargeer – verdwenen.”
Uw boek zou beter zijn ontvangen als de westerse wereld zich niet
in een recessie bevond.
„Dat is waar, maar wij willen een langetermijnperspectief
schetsen. De crisis illustreert het failliet van het systeem. De
afgelopen twintig jaar is de inkomensongelijkheid in de westerse
wereld sterk gegroeid – en obsceen. We leven in een overspannen
maatschappij. We putten onze natuurlijke hulpbronnen uit. We moeten
onze levensstijl aanpassen.”
In uw boek noemt u de uitputting van natuurlijke grondstoffen niet
als argument voor een gematigde groei.
„Dat hebben we bewust gedaan. Technologische innovaties leidt
tot een ander, efficiënter gebruik van grondstoffen. We kiezen voor
een morele invalshoek als motivatie voor ons pleidooi, niet voor een
‘grenzen aan de groei’ benadering.”
Voor de korte termijn is economische groei gewenst om uit de
misère te komen?
„We moeten uit de huidige economische crisis groeien. Maar groei
is niet meer dan een medicijn – Prozac, om de patiënt weer even op
de been te helpen. Daarna wordt het tijd om de wereld van het geld
fundamenteel aan te passen aan de reële wereld. Winst moet weer een
middel worden, niet een doel. Economische groei is niet het
belangrijkste.”
Wat is de rol van de staat?
„De staat moet de condities creëren voor een goed leven. Als,
met een verwijzing naar Keynes, individuen bij het najagen van het
eigenbelang tegelijkertijd het algemeen belang zouden dienen, dan kan
de politicus naar huis. Zo is het niet, en elk tijdperk moet zijn
eigen agenda opstellen. Die zou nu moeten zijn: het goede leven.”
En dat betekent concreet?
„De staat moet inzetten op volledige werkgelegenheid. Niet een
40-urige werkweek, maar geleidelijk het aantal uren terugbrengen. En
de staat moet de burgers voorzien van een basisinkomen, waardoor de
keuze tussen werken en niet-werken makkelijker kan worden gemaakt.”
Dat klinkt als een ego uit het verleden. Thomas Moore pleitte in
1517 al voor zo’n inkomen. In de jaren zeventig zag ‘links’ in
Nederland het als een middel voor de herverdeling van de arbeidstijd.
‘Rechts’ zag het als een middel om mensen te prikkelen de handen
uit de mouwen steken.
„Wij grijpen terug naar oude ideeën, want door het beleid van
Ronald Reagan in de Verenigde Staten en Margaret Thatcher in
Groot-Brittannië en hun heilig geloof in de werking van het vrije
marktmechanisme zijn we ver teruggeworpen in het denken.”
Een basisinkomen voor iedereen, hoe wilt u dat financieren?
„We hebben voor Groot-Brittannië een berekening gemaakt waarbij
mensen een inkomen van 5.000 pond (6.200 euro, red.) krijgen. Dit kan
gefinancierd worden door een belasting te heffen op financiële
transacties, de Tobintaks.”
En hoe wilt u de consumptie beteugelen?
„De overheid zou de druk op consumeren kunnen verminderen door
advertenties aan banden te leggen. En de burgers erop wijzen wat de
gevolgen zijn van hun ongeremde consumptie voor bijvoorbeeld hun
eigen gezondheid en het milieu.”
„En we pleiten voor een verschuiving van de belastingheffing van
arbeid naar consumptie. Denk daarbij bijvoorbeeld aan een
progressieve consumptiebelasting die kan oplopen tot 75 procent.”
How Much is Enough is geschreven voor de rijke geïndustrialiseerde
wereld.
„Het gaat om de keuzes die een land maakt. Steeds meer werken,
of genieten van het goede leven. Landen als China streven naar een
levensstandaard die wij al hebben. Wij moeten niet de concurrentie
met China aangaan, want op veel terreinen kunnen ze goedkoper
produceren. Het Westen moet zijn eigen unieke eigenschappen verder
ontwikkelen. Een groter deel van het wereldinkomen zal in de
opkomende landen worden verdiend, maar dat betekent niet dat wij in
het Westen geen andere keus kunnen maken hoe we met die welvaart
omgaan en ons leven indelen.”
En wanneer zal de Partij voor het Goede Leven worden opgericht?
„Onze voorstellen zijn politiek erg aantrekkelijk. Vraag je aan
mensen in wat voor samenleving ze zouden willen leven dan kiezen ze
voor een samenleving waar mensen minder werken, harmonieus met elkaar
omgaan en een eerlijke inkomensverdeling. Maar het is niet een keuze
die mensen individueel kunnen maken. Het is een besluit op politiek
niveau en een besluit dat door de komende generaties genomen zal
worden.”
Het onderwijs gaat daarbij dus een belangrijke rol spelen?
„Zeker. Nu is het onderwijs te veel gericht op geld verdienen en
carrière maken. Maar er is meer in het leven. Hoe ga je om met vrije
tijd? Wat kun je betekenen voor de samenleving? Genoeg is genoeg. We
moeten de tredmolen van de ongebreidelde consumptiedrift stoppen.”
Economisch filosoof
Edward Skidelsky (1973) doceert filosofie aan de University of
Exeter. Hij studeerde filosofie en theologie aan de University of
Oxford. Hij is de zoon van Robert Skidelsky (1939). Oud-hoogleraar
aan de University of Warwick, eerst in Internationele Betrekkingen,
later in Politieke Economie. Sinds 1991 is Robert Skidelsky lid van
het Britse Hogerhuis.