Posts tonen met het label Doelmatigheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Doelmatigheid. Alle posts tonen
donderdag 27 november 2014
De Goede Overheid(s Partij): Deel-1 - 'Stofzuigen tussen satellieten' - BAS DEN HOND, Trouw
Er zijn nogal wat mensen die altijd vinden dat ze teveel belasting betalen (ook al betalen ze steeds minder en/of gewoon te weinig. Telegraaf-hoof-redacteur Jules Paradijs is er zo eentje, en met zijn krant sleept hij honderdduizenden dolende, goedgelovige (in Paradijs dan, natuurlijk HATEN ze alles wat maar een zweempje Links in zich heeft), en niet al te nadenkende, beperkt opgeleide lieden in zijn kielzog van Chocolade-letters vretende 'aanhangers' met zich mee...
Uitspraak van 'dikke Jules': "De overheid moet er voor zorgen dat de lantarens branden, en dat is het dan wel zo'n beetje..!" Over onbenul gesproken!
In deze serie artikelen die laten zien dat de wereld steeds ingewikkelder wordt, dat mensen in die wereld een goed functionerende Overheid nodig hebben, nee; dat zelfs de meeste bedrijven die Goede Overheid NODIG hebben!
Deel-1:
'Stofzuigen tussen satellieten'
BAS DEN HOND, Trouw,(18/01/14)
Stofzuigen tussen satellieten
BAS DEN HOND − 18/01/14, 00:00
Op grote hoogten zitten elektrisch geladen deeltjes gevangen in het magnetisch veld van de aarde. Ze verstoren de elektronica van satellieten of zandstralen de zonnepanelen die ze tegenkomen. Wetenschappers werken daarom aan een ruimtebezem.
BOSTON (VS) - Het klassieke voorbeeld dat economen geven om uit te leggen waarom een overheid soms best een goed idee is, is de vuurtoren. Ooit waren die van levensbelang voor de scheepvaart. Maar je kon geen bedrijf beginnen dat vuurtorens bouwde en exploiteerde: hoe had je moeten afdwingen dat een langsvarend schip, veilig dankzij die ronddraaiende lichtbundel, voor de dienst betaalde?
Nu vuurtorens monumenten zijn geworden van een verleden zonder GPS, wordt het tijd voor een nieuw voorbeeld. En je hoeft niet verder te zoeken dan het GPS-systeem zelf en de problemen die deze satellieten in hun baan ondervinden door een bombardement van snel bewegende elektrisch geladen deeltjes: elektronen en protonen. Als er een manier gevonden zou kunnen worden om hun omgeving schoon te vegen, zou je daar miljoenen mee kunnen besparen. Maar ook hier is het probleem: een satelliet-eigenaar die niet voor die dienst betaalt, profiteert er evengoed van.
In dit geval is er nog geen overheid wakker geworden die er geld in steekt. Maar in hoop op betere tijden wordt in laboratoria her en der in de wereld al jaren aan het idee gesleuteld. Door Reiner Friedel onder andere, van het Los Alamos National Laboratory in de VS. Hij behoort tot degenen die het idee levend houden van de 'ruimtebezem', die de stralingsgordels rond de aarde een milder klimaat moet geven.
Van pool tot pool
Er zijn twee van die Van Allengordels. De binnenste bevindt zich (bij de evenaar gemeten) op 1000 kilometer tot 6000 kilometer hoogte en bevat vooral zware protonen, de buitenste gaat van 13.000 tot soms wel 60.000 kilometer hoog en daar zijn het vooral elektronen die de schade veroorzaken.
De elektrisch geladen deeltjes zitten op die hoogten gevangen in het magnetisch veld van de aarde. Dat veld loopt overal rond de planeet in een grote boog van pool tot pool. Deeltjes die ongeveer in de richting van het veld bewegen, merken er niet zoveel van. Deeltjes die dwars op het veld bewegen, worden er voortdurend door afgebogen, zodat ze in cirkels bewegen en niet verder komen. De meeste deeltjes hebben een richting daartussenin en doen allebei: het resultaat is een spiraalvormige beweging naar een van de magnetische polen. Daar in de buurt gekomen, wordt het magnetisch veld sterker, de spiraalbeweging strakker en de snelheid kleiner, tot ze stilstaan en daarna terugkaatsen, naar de andere pool. Tenzij ze voor die tijd een satelliet tegenkomen en daarvan de elektronica storen, of de zonnepanelen helpen zandstralen.
Tot nu toe hebben de bouwers van satellieten twee opties om die schade te verkleinen: ze kunnen hun elektronica steviger uitvoeren en afschermen, wat geld kost en door het extra gewicht de lanceerkosten verhoogt. Of ze kunnen de satelliet een baan geven die misschien minder economisch is, maar de stralingsgordels grotendeels vermijdt. Helemaal lukt dat niet, omdat die gordels niet zo mooi cirkelvormig zijn als satellietbanen kunnen zijn. En sommige satellieten hebben banen nodig die verre van cirkelvormig zijn: die kunnen zowel de binnenste als de buitenste baan tegenkomen.
De Van Allengordels werden in 1958 ontdekt, door de Explorer 1 en de Explorer 3, de allereerste satellieten die de VS in een baan om de aarde brachten, kort nadat de Sovjet-Unie de primeur had gehad met haar Spoetniks. Sindsdien zijn er allerlei ideeën geopperd om de schadelijke deeltjes uit te schakelen. Het meest extreme was boven de aarde een atoombom te laten ontploffen. Dat zou de atmosfeer tijdelijk zo hoog opstuwen, dat zij tot in de Van Allengordels zou reiken, daar de deeltjes in hun vaart stuiten en ze daarmee verlossen van de houdgreep van het magnetisch veld.
De meest veelbelovende methode maakt ook gebruik van de atmosfeer, maar dan wat subtieler. Bij het heen en weer kaatsen langs het magnetisch veld van de aarde, komen sommige deeltjes zo dicht bij de polen dat ze in de buitenste lagen van de atmosfeer komen en op luchtmoleculen kunnen botsen.
Motregen van deeltjes
En dat proces kun je bevorderen, hebben Friedel en zijn collega's berekend. Als je een satelliet lanceert die radiogolven uitzendt van de goede frequentie, de frequentie waarmee een elektron of proton spiraliseert, dan kan die spiraalbeweging zo worden veranderd dat het deeltje dichter bij de aarde komt voor het terugkaatst en een grotere kans heeft om een luchtmolecuul te raken. Op die manier zal uit de stralingsgordels een gestage motregen van deeltjes vallen.
Dat dit kan werken, is geen vraag. Tussen de twee Van Allengordels zit een laag boven de aarde waar niets aan de hand is. Die is door de natuur schoongeveegd, doordat allerlei processen, waaronder bliksemflitsen op aarde, zorgen voor een voortdurende bestraling met radiogolven die de goede golflengte hebben om op die hoogte de deeltjes te laten verdwijnen.
Nadere berekeningen, onlangs nog door Maria de Soria-Santa Cruz van het Massachusetts Institute of Technology in het tijdschrift Geophysical Research Letters, wijzen uit dat die methode grote problemen kent als het om de protonen van de binnenste stralingsgordel gaat. Die zijn zwaar, dus heb je een radiozender met flink vermogen nodig om hun beweging te beïnvloeden. Maar door hun grote massa spiraliseren ze ook langzaam. De opdracht is dus om sterke radiogolven uit te zenden met een frequentie van slechts 4 KHz en dus een golflengte van een kleine honderd kilometer. Dat lijkt praktisch niet uitvoerbaar. Maar voor de elektronen in de buitenste stralingsgordel lijkt het wel goed te doen.
En het is de investering waard, zegt Friedel. Als je alleen al kijkt naar de verzameling GPS-satellieten die om de aarde draait: de vervangingskosten daarvan bedragen zo'n 3,75 miljard euro. Ze zijn ontworpen om het 15 jaar in de ruimte uit te houden. Als een ruimtebezem die periode met 2 jaar kan rekken, heb je dus al een slordige 500 miljoen euro verdiend. Ongeveer dat kost het, schat hij, om een ruimtebezem te bouwen en te lanceren. De besparing voor alle andere satellieten die daarboven voortaan minder door energierijke elektronen worden geteisterd, krijg je dan cadeau.
Ruimtelijke kernproef
En als dat al geen argument genoeg is, wil Friedel, werkzaam op het laboratorium waar de Amerikaanse atoombom werd ontwikkeld, er ook nog wel het argument van de nationale veiligheid tegenaan gooien. Want het is niet alleen de natuur die kan zorgen voor elektrisch geladen deeltjes rond de aarde.
In 1962 vond een beruchte Amerikaanse kernproef in de atmosfeer plaats, Starfish. Die zorgde voor een derde Van Allengordel van elektronen. De helft van de weinige satellieten die toen in een baan om de aarde draaiden, gaf de geest. Dat waren er nog niet zoveel - maar zo'n ontploffing nu, per ongeluk of als onderdeel van een oorlog of aanslag, zou een onafzienbare economische schade opleveren. Niet alleen zouden vele satellieten bezwijken, maar het zou jaren duren voor de reserve-exemplaren veilig konden worden gelanceerd.
Als verzekering daartegen zou je dus een ruimtebezem op post moeten hebben. Het zou een verzekering zijn die de aardbewoners niets kost, omdat hij zich bij het uitblijven van zo'n kernramp bezig kan houden met het schoonvegen van de natuurlijke stralingsgordels, en zichzelf zo ruim terugverdient. Betalen gaan we er natuurlijk voor op de enige manier die economen voor zo'n openbare dienst kunnen bedenken: met een ruimtebelasting.
Het geheim van de Van Allengordels
Hoewel ze al 55 jaar geleden ontdekt werden, bewaren de Van Allengordels nog steeds het geheim van de oorsprong van die snelle protonen en elektronen. Dat deeltjes gevangen worden in het magnetisch veld van de aarde wordt goed begrepen, maar hun energie is bijna onmogelijk groot: ze bewegen soms met wel 99 procent van de lichtsnelheid, de keiharde maximumsnelheid in deze wereld.
Waarnemingen door de Van Allen Probes, twee satellieten die momenteel de stralingsgordels doorkruisen, hebben een tipje van de sluier opgelicht. Ze worden ingezet om op hetzelfde moment de straling op twee plaatsen in een gordel te meten. Op 9 oktober zagen ze een aanzienlijke toename van het aantal elektronen met hoge energie in de buitenste gordel. En dat gebeurde niet overal in de gordel, maar op een heel specifieke hoogte.
Daarmee was de theorie weerlegd dat de elektronen overal in de gordel op dezelfde manier worden versneld, door een algemeen verspreid magnetisch effect. Kennelijk ontstaat er op sommige momenten een 'versneller' op die specifieke hoogte, een proces dat radiogolven voortbrengt van precies de goede frequentie om de elektronen op te jagen.
Die radiogolven worden weer voortgebracht door de beweging van andere geladen deeltjes in het magnetisch veld van de aarde. Maar hoe dat proces precies verloopt, moet nog worden uitgezocht.
dinsdag 1 oktober 2013
Mijmeren over hoe het beter zou kunnen...
...uit onderstaande column van Rob Schouten blijkt dat meer mensen de politiek van vandaag-de-dag met stijgende verbazing en/of afkeer bezien, en nadenken over oplossingen om het beter te laten gaan. Deze column stelt een wel heel erg originele vernieuwende optie voor, gebaseerd op een wel heel erg treurige conclusie...
Soort zoekt soort
Rob Schouten, Trouw 27/09/13
De term 'politiek dier' zegt genoeg; de politiek is een dierentuin, een menagerie. Ik ben beslist geen politiek dier in strikte zin, ik volg niet voortdurend wat er allemaal in Den Haag gebeurt en vaak weet ik niet eens tussen welke kwaden en goeden ik moet kiezen. Soms voel ik me zelfs geen echte democraat, en woelen er in mij boze verlangens naar een ouderwetse meritocratie en ook heb ik wel eens gedachten gewijd aan het nut van een moreel censuskiesrecht. Tussen ondemocraten bestaan trouwens grote verschillen. Grote denkers als Plato en Nietzsche waren helemaal geen democraat, maar dictators als Loekasjenko en Mugabe zijn het ook niet. Toch is de parlementaire democratie in elk geval voor de kijker de beste politieke staatsvorm - of je moet dol zijn op militaire parades en gesloten bolwerken natuurlijk. Je kunt mij geen groter plezier doen dan met parlementaire enquêtes en algemene beschouwingen. Dan is de dierentuin volop in beweging. Ik heb ooit tijdens een vakantie in Afrika naar een drinkplaats in een wildpark zitten kijken. Er kwam van alles en nog wat lebberen (leeuwen, neushoorns, giraffen), iedereen kende zijn plaats of werd erop gewezen. De olifanten duwden een opdringerige neushoorn opzij, zebra's en wrattenzwijntjes kwamen niet kijken als er ook leeuwen waren.
Ik heb me wel eens geprobeerd voor te stellen hoe het zou zijn als de leden van de Tweede Kamer, anders dan hun dierlijke instinct ze ingeeft, niet per partij maar op alfabet geordend zouden zitten. Geert Wilders tussen Steven Weyenberg van D66 en Jan de Wit van de SP in, Emile Roemer ingeklemd tussen Jeroen Recourt van de PvdA en Michel Rog van het CDA. Of afwisselend mannen en vrouwen, als bij een tafelschikking (gaat helaas niet, er zijn 61 vrouwen en 89 mannen). Of leden die te veel met elkaar zitten te praten uit elkaar halen en elders neerzetten, zoals ons dat vroeger in de schoolklas overkwam. Ongemakkelijk, geen geestverwanten om je heen die je juichend inhalen als je iets moois gezegd hebt, geen gefluister achter je hand met je buurman als je tegenstander iets venijnigs zegt. Ieder voor zich. Wel met een partijprogramma op zak maar zonder elkaars hand vast te houden. Het zou de geest van de Tweede Kamer totaal veranderen, het zou veel meer een echte afspiegeling van de samenleving worden, een heuse democratie.
Ik leef ook naast mensen die ik niet zelf gekozen heb. Soms zit er een reuze-exemplaar of een sublieme schoonheid bij, maar er zijn er ook die onaangenaam rieken of mij veel te veel praten. Maar nee, zodra ze de kans krijgen gaan mensen soort bij soort zitten en koesteren zich aan elkaars gelijkgestemde warmte. Na afloop van zijn sermoen waarin Geert Wilders Alexander Pechtold voor 'miezerig mannetje' had uitgekreten, ging hij tevreden glimlachend zitten, de held van zijn vrienden, waarvan Pechtold het morele gehalte zojuist in twijfel had getrokken. En Pechtold werd vol begrip opgevangen door zijn democratische soortgenoten. Gettovorming en sektarisme, dat is het eigenlijk. Wat ik al zei: net dieren.
Labels:
Doelmatigheid,
Efficiency,
Oplossingen,
Politiek,
Vernieuwing Democratie
zondag 10 februari 2013
Kosten van de (toekomstige) zorg (NRC)
Rotterdam.
Door onze redacteur Wim Köhler | pagina 16 - 17
De verontwaardiging over de plannen om dure medicijnen tegen de ziekten van Pompe en Fabry niet meer te vergoeden uit de basisverzekering leverde vorige week een opmerkelijke ingezonden brief op. Er is „een voordelige aanpak mogelijk”: gentherapie. „Alle kennis en instrumenten [...] zijn voorhanden”, stond in de brief van drie Rotterdamse hoogleraren.
Hoe werkt die gentherapie dan? Wanneer kunnen de eerste patiënten worden behandeld?
Gentherapie tegen de ziekte van Pompe wordt in Rotterdam ontwikkeld, binnen een groot Europees onderzoeksproject. Canadezen werken aan gentherapie tegen Fabry.
Rotterdamse muizen met de ziekte van Pompe die gentherapie kregen „hollen binnen een maand, vrijwillig, de afstand van Rotterdam naar Parijs. In een tredmolentje in hun kooi. Muizen met Pompe halen Brussel niet.” Dat zegt hoogleraar Gerard Wagemaker van het Erasmus MC, één van de ondertekenaars van de brief. Hij is aan de telefoon vanuit het Weizmann Instituut in Israël, waar hij aan het werk is tijdens een sabbatical.
Wagemaker ontwikkelde met Europese collega’s gentherapie in bloedstamcellen. Die bloedstamcellen winnen de onderzoekers uit de jonge bloedcellen die met een beenmergpunctie uit de patiënt (of, voorlopig nog: het proefdier) zijn gehaald. Gentherapie wordt dus buiten het lichaam gegeven (zie tekening). Bij gentherapie worden cellen van de patiënt samengebracht met een op vele punten kunstmatig aangepast virus. Dat dringt de cellen van de patiënt binnen en plaatst daar het ziektecorrigerende gen tussen alle andere genen van de patiënt. Het virus is zo veranderd dat het niet meer ziek maakt en zich niet meer kan vermenigvuldigen. De veranderde bloedstamcellen gaan met een infuus terug in de patiënt. Die stamcellen delen, met het nieuwe gen, en uit die cellen groeien alle benodigde bloedcellen: bloedplaatjes, rode bloedcellen en de witte bloedcellen van het afweersysteem in al hun variëteit.
Na gentherapie op bloedstamcellen komt het eiwit in het bloed terecht. Het lichaam moet een mechanisme hebben om het eiwit op de juiste plek in het lichaam af te leveren. De eiwitten (het zijn enzymen voor de stofwisseling) die bij patiënten met de ziekten van Pompe en van Fabry ontbreken of kreupel zijn, worden van nature via het bloed getransporteerd. Dat bespoedigt het ontwikkelen van succesvolle gentherapie. Het veertigtal zeldzame erfelijke ziekten met vergelijkbare enzymdefecten als Pompe en Fabry was daardoor al vroeg kandidaat voor gentherapie.
„En de meeste ervan kunnen met de door ons ontwikkelde techniek worden behandeld”, zegt Wagemaker. Hij somt op: „Gentherapie voor de ziekten van Pompe, Fabry, Hurler en Krabbe zijn zover dat over minimaal twee jaar de eerste behandeling bij patiënten mogelijk is. In Milaan en Parijs zijn al patiëntproeven voor de nauw verwante ziekten metachromatische leukodystrofie en adrenoleukodystrofie.”
Een eerste Europees experiment gebeurt, verwacht Wagemaker, bij ernstig zieke baby’s. Dat zijn de bad risk patiënten met slechte vooruitzichten. „Het is een zeldzame ziekte. Je moet het dus samen doen. Ik denk dat we met Britten en Fransen in twee jaar tijd tien patiëntjes kunnen behandelen.”
Als die proeven slagen, kan de behandeling voor meer patiënten beschikbaar komen. Het is afwachten hoe goed gentherapie nog werkt bij patiënten met een mildere vorm van de ziekte van Pompe, die al een aantal jaren ziek zijn en verslechteren.
Wagemaker: „De vraag is ook hoe je de behandeling het best en het snelst aan alle patiënten beschikbaar kan stellen: via een bedrijf of via academische centra. Voor die eerste patiëntentrial hebben we minimaal vijf miljoen euro nodig. Als je het academisch houdt heb je overheidsgeld nodig, maar de overheidssubsidie voor onderzoek loopt schrikbarend terug. Ik denk erover om een bedrijfje op de rails te zetten.”
De verontwaardiging over de plannen om dure medicijnen tegen de ziekten van Pompe en Fabry niet meer te vergoeden uit de basisverzekering leverde vorige week een opmerkelijke ingezonden brief op. Er is „een voordelige aanpak mogelijk”: gentherapie. „Alle kennis en instrumenten [...] zijn voorhanden”, stond in de brief van drie Rotterdamse hoogleraren.
Hoe werkt die gentherapie dan? Wanneer kunnen de eerste patiënten worden behandeld?
Gentherapie tegen de ziekte van Pompe wordt in Rotterdam ontwikkeld, binnen een groot Europees onderzoeksproject. Canadezen werken aan gentherapie tegen Fabry.
Rotterdamse muizen met de ziekte van Pompe die gentherapie kregen „hollen binnen een maand, vrijwillig, de afstand van Rotterdam naar Parijs. In een tredmolentje in hun kooi. Muizen met Pompe halen Brussel niet.” Dat zegt hoogleraar Gerard Wagemaker van het Erasmus MC, één van de ondertekenaars van de brief. Hij is aan de telefoon vanuit het Weizmann Instituut in Israël, waar hij aan het werk is tijdens een sabbatical.
Wagemaker ontwikkelde met Europese collega’s gentherapie in bloedstamcellen. Die bloedstamcellen winnen de onderzoekers uit de jonge bloedcellen die met een beenmergpunctie uit de patiënt (of, voorlopig nog: het proefdier) zijn gehaald. Gentherapie wordt dus buiten het lichaam gegeven (zie tekening). Bij gentherapie worden cellen van de patiënt samengebracht met een op vele punten kunstmatig aangepast virus. Dat dringt de cellen van de patiënt binnen en plaatst daar het ziektecorrigerende gen tussen alle andere genen van de patiënt. Het virus is zo veranderd dat het niet meer ziek maakt en zich niet meer kan vermenigvuldigen. De veranderde bloedstamcellen gaan met een infuus terug in de patiënt. Die stamcellen delen, met het nieuwe gen, en uit die cellen groeien alle benodigde bloedcellen: bloedplaatjes, rode bloedcellen en de witte bloedcellen van het afweersysteem in al hun variëteit.
Na gentherapie op bloedstamcellen komt het eiwit in het bloed terecht. Het lichaam moet een mechanisme hebben om het eiwit op de juiste plek in het lichaam af te leveren. De eiwitten (het zijn enzymen voor de stofwisseling) die bij patiënten met de ziekten van Pompe en van Fabry ontbreken of kreupel zijn, worden van nature via het bloed getransporteerd. Dat bespoedigt het ontwikkelen van succesvolle gentherapie. Het veertigtal zeldzame erfelijke ziekten met vergelijkbare enzymdefecten als Pompe en Fabry was daardoor al vroeg kandidaat voor gentherapie.
„En de meeste ervan kunnen met de door ons ontwikkelde techniek worden behandeld”, zegt Wagemaker. Hij somt op: „Gentherapie voor de ziekten van Pompe, Fabry, Hurler en Krabbe zijn zover dat over minimaal twee jaar de eerste behandeling bij patiënten mogelijk is. In Milaan en Parijs zijn al patiëntproeven voor de nauw verwante ziekten metachromatische leukodystrofie en adrenoleukodystrofie.”
Een eerste Europees experiment gebeurt, verwacht Wagemaker, bij ernstig zieke baby’s. Dat zijn de bad risk patiënten met slechte vooruitzichten. „Het is een zeldzame ziekte. Je moet het dus samen doen. Ik denk dat we met Britten en Fransen in twee jaar tijd tien patiëntjes kunnen behandelen.”
Als die proeven slagen, kan de behandeling voor meer patiënten beschikbaar komen. Het is afwachten hoe goed gentherapie nog werkt bij patiënten met een mildere vorm van de ziekte van Pompe, die al een aantal jaren ziek zijn en verslechteren.
Wagemaker: „De vraag is ook hoe je de behandeling het best en het snelst aan alle patiënten beschikbaar kan stellen: via een bedrijf of via academische centra. Voor die eerste patiëntentrial hebben we minimaal vijf miljoen euro nodig. Als je het academisch houdt heb je overheidsgeld nodig, maar de overheidssubsidie voor onderzoek loopt schrikbarend terug. Ik denk erover om een bedrijfje op de rails te zetten.”
Abonneren op:
Posts (Atom)