dinsdag 22 december 2015
DEMOCRATIE / SPANJE-NEDERLAND; Een Vergelijking 'Stroperigheid is een zegen voor Spanje', Ger Groot (Trouw.nl)
Stroperigheid is een zegen voor Spanje_Ger Groot − 21/12/15, 15:42
© afp. Pablo Iglesias (vooraan), partijleider van Podemos, viert de
verkiezingsuitslagen.
COLUMN De Spaanse protestpartij Podemos heeft het in de verkiezingen
van afgelopen zondag beter gedaan dan verwacht. Met ruim 20 procent
van de stemmen mag de partij zich de morele overwinnaar noemen. Maar
dat betekent niet dat ze in Spanje de dienst gaat uitmaken, stelt Ger
Groot.
'Versplinterd' kun je het politieke landschap niet noemen, maar de
kaarten zijn wel radicaal anders geschud
De Partido Popular is nog altijd de grootste politieke formatie, maar zal
om te kunnen regeren een coalitie moeten sluiten met andere partijen. Of
dat lukt, is zeer de vraag - en pas dan komt een linkse coalitie met
Podemos weer in zicht. Of die er dan zal komen, is evenmin zeker. Of
Podemos zich zal onthouden van capriolen die haar Griekse tegenhanger
Syriza in het ongerede hebben gebracht, evenmin.
Hervorming
Toch zijn de voortekenen niet slecht. Hervorming van het Spaanse
kiesstelsel is één van de prioriteiten waar Podemos haast mee wil maken,
of de partij nu in de regering zit of niet. Dat is hoog tijd. Het huidige
systeem bevoordeelt grote én plaatselijke partijen bovenmatig, en het
platteland daar nog eens bovenop.
Podemos kan daarover meepraten. Met maar anderhalve procentpunt
verschil met de socialistische PSOE moest de partij zich tevreden stellen
met 21 (van de 350) zetels minder. Grootste gedupeerde is Unidad
popular, de Spaanse tegenhanger van Groen Links, die met ruim 3,5
procent van de stemmen niet meer dan 2 zetels binnenhaalde. Bij
evenredige vertegenwoordiging zouden dat er 11 geweest zijn.
Waar twee partijen afwisselend regeren, dreigt de politiek op den duur
onvermijdelijk te ontsporen
Spaanse puzzel
Verstandige praat dus van Podemos, maar daarmee zou de Spaanse
puzzel die zich momenteel aftekent niet zijn opgelost. 'Versplinterd' kun
je het politieke landschap niet noemen, maar de kaarten zijn wel radicaal
anders geschud. Vier in plaats van twee partijen zijn nu dominant.
Voorlopig lijkt er een einde gekomen aan wat ten onrechte een
'tweepartijensysteem' genoemd wordt.
Van een 'systeem' is - anders dan bij de bizarre omrekening van stemmen
naar zetels - immers geen sprake. Eénpartijenstelsels bestaan hier en daar
in de wereld nog, maar in geen enkele staat is vastgelegd dat politieke
macht slechts aan twee partijen toekomt. Waar dat de facto het geval is,
ligt dat niet aan het 'systeem' maar aan het kiezersgedrag. Spanje heeft
laten zien hoe dat automatisme doorbroken kan worden. Dat is misschien
wel het meest verheugende resultaat van deze verkiezingen.
Waar twee partijen afwisselend regeren, dreigt de politiek op den duur
onvermijdelijk te ontsporen. Het voordeel van de duidelijkheid wordt
ruimschoots ondermijnd door het nadeel van de polarisatie - waaronder
de Verenigde Staten zo langzamerhand een onbestuurbaar land geworden
is. Spanje heeft de afgelopen decennia daarvoor de tol betaald van een
verruwd politiek debat, met wederzijdse verkettering en belediging in
plaats van argumenten en overtuigingskracht. Daardoor is de Spaanse
politieke cultuur tot nu toe tamelijk onvolwassen gebleven, na de
chaotische overgangsperiode van de jaren '70 en '80.
Zo krijgt de uitdrukking 'verdeel en heers' een nieuwe betekenis, ontdaan
van het cynisme waaraan ze is ontsprongen
Gedwongen tot zakelijkheid
Wie in zijn politieke tegenstanders altijd óók mogelijke coalitiepartners
moet zien, matigt onvermijdelijk zijn toon en is gedwongen tot
zakelijkheid. Maar een coalitie-'systeem' houdt ook de machtsbekleders
op het rechte pad.
Wie de zeggenschap moet delen met mensen van buiten de eigen kring,
weet zich kritischer gevolgd en zal minder snel misbruik maken van zijn
bevoegdheden. Hoe gemakkelijk politieke alleenheerschappij kan
ontsporen, heeft de regerende Partido Popular de afgelopen jaren in
Spanje tenenkrommend laten zien.
Wie meent dat zoiets in Nederland niet voorkomt, juicht beter niet te
vroeg. Ook de wantoestanden rond de 'Teeven-deal' hadden wellicht
voorkomen kunnen worden wanneer het ministerie van justitie de
afgelopen jaren niet in handen van één partij was geweest, zo schrijven de
commentaren. Ook daar zou een scheiding der geesten goed zijn geweest
voor een kritische blik.
Verdeel en heers
Zo krijgt de uitdrukking 'Verdeel en heers' een nieuwe betekenis, ontdaan
van het cynisme waaraan ze is ontsprongen: over een verdeeld volk is
gemakkelijk tirannie uit te oefenen. Maar wanneer het gezag zélf
inwendig gespleten blijft, krijgt het zelfreinigend vermogen meer armslag
en ligt bestuurlijke doordrijverij minder voor de hand.
Daarvoor moet ongetwijfeld wel enige slagkracht worden ingeleverd.
Over de Nederlandse politieke verdeeldheid, de eeuwige noodzaak van
compromissen en de 'onbestuurbaarheid' van het land die sommigen al
zien opdoemen, klinkt regelmatig een klaagzang op. Moet het aantal
partijen in het parlement niet drastisch omlaag? - zo vraagt de één.
Misschien wel tot twee partijen?- zo speculeert de ander nog driester.
Laten we de zegeningen tellen van onze coalitie-cultuur. Een heilzamer
politiek bestel is nauwelijks denkbaar, niet ondanks maar dankzij de zo
vaak beschimpte Haagse stroperigheid. Spanje zal zich daarin nu
goedschiks of kwaadschiks moeten bekwamen. Dat zal moeite kosten,
zoals dat ook in Groot-Brittannië het geval was. Maar op den duur kan
het de politieke rijpheid van het land alleen maar ten goede komen.
donderdag 1 oktober 2015
VERNIEUWING DEMOCRATIE / VOORBEELD / INDONESIË: Twitter Zet Indonesische Democratie op zijn Kop
Jakarta twitterhoofdstad van de wereld
WOUTER VAN CLEEF − 25/08/15, originele artikel van Trouw
Sociale media kans voor nieuwe generatie Indonesische politici. Partijkader is niet langer zaligmakend.
De edele kunst van het 'nongkrong' (hangen, kletsen, WvC) beheersen Indonesiërs als geen ander. Koken, beroemdheden, familierelaties en files: het zijn onderwerpen waarover eindeloos wordt gepraat en geroddeld, liefst onder het genot van een kopje thee. De laatste jaren speelt het 'nongkrong' zich steeds minder af op straat en steeds vaker op sociale media. Sterker, nergens wordt meer getwitterd dan in de Indonesische hoofdstad. Verschillende onderzoeksbureaus riepen Jakarta zelfs uit tot 'Twitterhoofdstad van de wereld'.
Dat eindeloze getweet gaat niet alleen over koetjes en kafljes, ook serieuze onderwerpen komen aan bod. Politiek bijvoorbeeld. Een jaar geleden boekte president Joko 'Jokowi' Widodo een verkiezingsoverwinning die deels te danken was aan de aandacht die hij kreeg op sociale media, vertellen Kartika Djoemadi en Hari Adhi. Als vrijwilligers van Jokowi's campagneteam tweetten en facebookten zij zich een slag in de rondte over hun politieke idool.
"Voor de campagne zeiden veel mensen dat sociale media onbelangrijk waren, maar we hebben laten zien dat het een goedkope manier is om aandacht te krijgen", zegt Hari Adhi (31), die in het dagelijks leven als grafisch ontwerper werkt.
Fabrikanten van 'spanduk' (spandoeken) doen altijd goede zaken in verkiezingstijd, maar nu de president ruim 3 miljoen volgers heeft en zijn tegenstander van vorig jaar Prabowo Subianto bijna 2 miljoen, is Twitter een populair én voordelig campagnemiddel. Iets minder dan de helft van alle Indonesiërs is jonger dan 40 jaar, een interessante doelgroep voor politici.
Vorig jaar maakte Twitter bekend dat zo'n 20 miljoen Indonesiërs een account hebben, de meeste van hen in de grote steden, vertellen Kartika en Hari. Daar hebben meer mensen geld om een smartphone aan te schaffen dan op het platteland.
Waarom twitteren Indonesiërs eigenlijk zoveel? "Vooral in Jakarta staan mensen ontzettend lang in de file. Om de tijd te doden sturen ze berichten via hun smartphone", weet Kartika Djoemadi (35).
Maar Twitter is meer dan een manier om de tijd te doden en een groot publiek te bereiken. Sociale media kunnen de politiek in het land helpen veranderen, denken de twee sociale media experts.
Een van de opvallendste trends de laatste jaren is de opkomst van ambitieuze, hervormingsgezinde politici in de grote Javaanse steden. In Bandung en Surabaya, respectievelijk de tweede en derde stad van het land, werden burgemeesters gekozen die naam maakten om hun praktische en soms harde aanpak, terwijl ze minder sterk gebonden zijn aan oude partijkaders. Tot voor kort was het praktisch ondenkbaar dat deze belangrijke posten bezet konden worden door kandidaten die zich niet eerst jarenlang opwerkten in een partijapparaat.
Voor politici die niet gebonden zijn aan het establishment kunnen sociale media een belangrijk hulpmiddel zijn. Burgemeester Ridwan Kamil (43) van Bandung won twee jaar geleden de lokale verkiezingen mede door zijn twitterschare van inmiddels 1,2 miljoen volgers. Hoewel hij zich later aansloot bij de oppositionele Gerindra-partij, liet Kamil zien dat een partijkader niet langer de sleutel is tot een verkiezingsoverwinning.
Voor deze buitenstaanders zijn sociale media extra belangrijk, vertellen Kartika en Hari. Veel Indonesische media zijn immers gelieerd aan grote partijen of tycoons, wat het voor buitenstaanders moeilijker maakt in de schijnwerpers te komen.
"In grote steden waar veel mensen op sociale media zitten kunnen sociale media de democratie versterken, maar het effect verschilt sterk per regio", zegt Kartika Djoemadi.
Die grote diversiteit tussen verschillende groepen in het land is ook bepalend voor de manier waarop sociale media in campagnes worden ingezet, legt Hari Adhi uit. Hij stuurde regionale steuncomités voor Jokowi's campagne aan. Voor verschillende etnische groepen liet Adhi specifiek toegesneden boodschappen verspreiden. "In west-Sumatra (een tamelijk conservatief-islamitisch gebied, red) werd getwijfeld of Jokowi wel echt moslim was. Ons comité daar meldde dat hij inderdaad islamiet was. Op andere plekken tweetten we in de lokale taal, dat slaat aan bij kiezers."
Liever goede hashtag dan de straat op
Net als in de Arabische wereld gebruiken ook kritische Indonesiërs het internet om hun ongenoegen te uiten.
Begin juli werden massaal foto's gedeeld van een dienstauto van een generaal die tijdens een autoloze zondag met politie-escorte door het centrum van Jakarta reed. De boze reacties op sociale media over de arrogantie van de onbekend gebleven legerleider waren niet van de lucht.
De grootste protestactie op sociale media tot nog toe vond eerder dit jaar plaats toen er haast een oorlog ontbrandde tussen de anti-corruptie commissie (KPK) en de landelijke politie. De KPK beschuldigde de kandidaat-politiechef van corruptie. Niet veel later arresteerde de politie een van de topcorruptiebestrijders.
Bezorgde burgers, die met lede ogen toezagen hoe de reputatie en slagkracht van de corruptiewaakhond ervan langs kregen, gingen niet als vroeger massaal de straat op, maar lieten vooral op twitter - met de hashtag #SaveKPK - van zich horen.
Labels:
Democratie,
Goed,
in het Buitenland,
Indonesië,
Media,
Nieuwe,
Sociale,
Twitter,
Vernieuwing Democratie,
Voorbeeld
maandag 29 juni 2015
Burgerforum EU
'Volkssoevereiniteit noopt tot referendum'
OPINIE De 40.000 handtekeningen voor het Burgerforum EU zijn binnen. Een referendum zal zand strooien in de raderen van het Europese integratieproces, schrijven Geerten Waling en Coos Huijsen. Maar: 'Elke politicus die soevereiniteit wil overdragen van de natie naar een nieuwe macht, is het aan de democratische traditie verplicht stil te staan bij het oordeel van de bevolking.'
Zo’n saamhorigheidsgevoel is op Europese schaal nog ver te zoeken, en wordt alleen maar onwaarschijnlijker naarmate de crisisconjunctuur de verschillende economieën verder uit elkaar speelt
De 40.000 handtekeningen voor het Burgerforum EU waren in enkele weken tijd geregeld. Niet zo vreemd: 64 procent van de Nederlanders wil een referendum over de Europese integratie, peilde Maurice de Hond.
Nu het burgerinitiatief een feit is, is de Tweede Kamer wettelijk verplicht het EU-referendum op de agenda zetten. Maar dat betekent nog niet dat het er ook komt. Het parlement is schuchter, de Democraten uit '66 voorop.
Ongemakken
Een referendum zal, wat ook de vraag precies wordt, zand strooien in de raderen van het Europese integratieproces. Met alle economische en politieke ongemakken van dien. Dat maakt de soevereiniteit van de nationale bevolking tot een ongemakkelijk politiek onderwerp. Maar laat die soevereiniteit zich ongestraft ontkennen?
Het belangrijkste politieke niveau is nog altijd dat van de natiestaat. Zoals Mark Rutte, de belangrijkste functionaris van die natiestaat, recent nog bevestigde bij Pauw&Witteman: 'Wij zijn soeverein en autonoom.' Toch wordt, onder druk van ingrijpende crisismaatregelen, soevereiniteit overgeheveld van het nationale niveau naar een supranationale constellatie in Brussel.
In roerige tijden voldoet het niet om bij het uitstippelen van politiek beleid te kijken naar het roerige heden of de onzekere toekomst. We zouden meer beroep moeten doen op de lange geschiedenis van economisch en sociaal succes, en ons afvragen welke tradities en instituties nog een actuele waarde bezitten, of sterker nog: een verplichting in zich meedragen. Dat is het geval bij de natie.
Saamhorigheidsgevoel
Want een natie, zo stelde de Franse historicus Ernest Renan in zijn beroemde lezing Wat is een natie? (1882), bestaat alleen bij gratie van de vrije wil van haar bevolking. Die mensen moeten bij elkaar willen horen. 'Een natie is een ziel, een geestelijk beginsel. Twee dingen vormen deze ziel, dit geestelijke beginsel. Het ene is het gemeenschappelijk bezit van een rijke erfenis aan herinneringen; het andere is het tegenwoordige saamhorigheidsgevoel, de wens om samen te leven, om opnieuw waarde te geven aan de erfenis die men samen ontvangen heeft.'
Zo'n saamhorigheidsgevoel is op Europese schaal nog ver te zoeken, en wordt alleen maar onwaarschijnlijker naarmate de crisisconjunctuur de verschillende economieën verder uit elkaar speelt. Op nationale schaal is zo'n gevoel sterker aanwezig en vormt het een prominent onderdeel van het diverse palet aan identiteiten waarover wij kunnen beschikken.
Nu is een natie beslist niet heilig of eeuwig. Grensoverschrijdende problemen als milieu, bankentoezicht en migratie kunnen alleen door een sterk bondgenootschap worden aangepakt. Al die kleine en middelgrote Europese landen kunnen niet zonder elkaar, op een wereldtoneel dat steeds diffuser wordt. En ze hoeven ook niet zonder elkaar: al een halve eeuw lang is bewezen dat er voor intensieve samenwerking op het continent genoeg solidariteit bestaat.
Soevereiniteitsoverdracht
Maar dit neemt niet weg dat de vorm waarin de democratische rechtstaat zich sinds 1848 het best handhaaft nog altijd de natie is. Daarom moet bij verregaande soevereiniteitsoverdracht met twee factoren rekening worden gehouden: met de tastbare politieke kwestie van democratische legitimiteit; en met het emotionele aspect dat kleeft aan een natie. In Renans woorden: 'Aan nationaliteit zit een gevoelskant; zij is tegelijk ziel en lichaam; een Zollverein is geen vaderland.'
Elke politicus die soevereiniteit wil overdragen van de natie naar een nieuwe macht, is het aan de democratische traditie verplicht stil te staan bij het oordeel van de bevolking aan wie de soevereiniteit wordt onttrokken. Daarom zou het, juist in de geest van Renan, wijs zijn een referendum te houden over de gevolgen van Europese integratie voor de natie: 'Als er twijfels opdoemen over haar grenzen, raadpleeg dan de bevolkingen in kwestie. Zij hebben als geen ander het recht daarover een mening te hebben.'
Coos Huijsen en Geerten Waling zijn historici. Van de auteurs verschijnt deze week een moderne vertaling van, en een inleiding en duiding bij de lezing Wat is een natie? van Ernest Renan (uitgeverij Elsevier). Naar aanleiding hiervan gaan Martin Bosma, René Cuperus en Yoeri Albrecht op dinsdag 12 maart (20.00 uur) met elkaar in debat in De Balie in Amsterdam.
Nu het burgerinitiatief een feit is, is de Tweede Kamer wettelijk verplicht het EU-referendum op de agenda zetten. Maar dat betekent nog niet dat het er ook komt. Het parlement is schuchter, de Democraten uit '66 voorop.
Ongemakken
Een referendum zal, wat ook de vraag precies wordt, zand strooien in de raderen van het Europese integratieproces. Met alle economische en politieke ongemakken van dien. Dat maakt de soevereiniteit van de nationale bevolking tot een ongemakkelijk politiek onderwerp. Maar laat die soevereiniteit zich ongestraft ontkennen?
Het belangrijkste politieke niveau is nog altijd dat van de natiestaat. Zoals Mark Rutte, de belangrijkste functionaris van die natiestaat, recent nog bevestigde bij Pauw&Witteman: 'Wij zijn soeverein en autonoom.' Toch wordt, onder druk van ingrijpende crisismaatregelen, soevereiniteit overgeheveld van het nationale niveau naar een supranationale constellatie in Brussel.
In roerige tijden voldoet het niet om bij het uitstippelen van politiek beleid te kijken naar het roerige heden of de onzekere toekomst. We zouden meer beroep moeten doen op de lange geschiedenis van economisch en sociaal succes, en ons afvragen welke tradities en instituties nog een actuele waarde bezitten, of sterker nog: een verplichting in zich meedragen. Dat is het geval bij de natie.
Saamhorigheidsgevoel
Want een natie, zo stelde de Franse historicus Ernest Renan in zijn beroemde lezing Wat is een natie? (1882), bestaat alleen bij gratie van de vrije wil van haar bevolking. Die mensen moeten bij elkaar willen horen. 'Een natie is een ziel, een geestelijk beginsel. Twee dingen vormen deze ziel, dit geestelijke beginsel. Het ene is het gemeenschappelijk bezit van een rijke erfenis aan herinneringen; het andere is het tegenwoordige saamhorigheidsgevoel, de wens om samen te leven, om opnieuw waarde te geven aan de erfenis die men samen ontvangen heeft.'
Zo'n saamhorigheidsgevoel is op Europese schaal nog ver te zoeken, en wordt alleen maar onwaarschijnlijker naarmate de crisisconjunctuur de verschillende economieën verder uit elkaar speelt. Op nationale schaal is zo'n gevoel sterker aanwezig en vormt het een prominent onderdeel van het diverse palet aan identiteiten waarover wij kunnen beschikken.
Nu is een natie beslist niet heilig of eeuwig. Grensoverschrijdende problemen als milieu, bankentoezicht en migratie kunnen alleen door een sterk bondgenootschap worden aangepakt. Al die kleine en middelgrote Europese landen kunnen niet zonder elkaar, op een wereldtoneel dat steeds diffuser wordt. En ze hoeven ook niet zonder elkaar: al een halve eeuw lang is bewezen dat er voor intensieve samenwerking op het continent genoeg solidariteit bestaat.
Soevereiniteitsoverdracht
Maar dit neemt niet weg dat de vorm waarin de democratische rechtstaat zich sinds 1848 het best handhaaft nog altijd de natie is. Daarom moet bij verregaande soevereiniteitsoverdracht met twee factoren rekening worden gehouden: met de tastbare politieke kwestie van democratische legitimiteit; en met het emotionele aspect dat kleeft aan een natie. In Renans woorden: 'Aan nationaliteit zit een gevoelskant; zij is tegelijk ziel en lichaam; een Zollverein is geen vaderland.'
Elke politicus die soevereiniteit wil overdragen van de natie naar een nieuwe macht, is het aan de democratische traditie verplicht stil te staan bij het oordeel van de bevolking aan wie de soevereiniteit wordt onttrokken. Daarom zou het, juist in de geest van Renan, wijs zijn een referendum te houden over de gevolgen van Europese integratie voor de natie: 'Als er twijfels opdoemen over haar grenzen, raadpleeg dan de bevolkingen in kwestie. Zij hebben als geen ander het recht daarover een mening te hebben.'
Coos Huijsen en Geerten Waling zijn historici. Van de auteurs verschijnt deze week een moderne vertaling van, en een inleiding en duiding bij de lezing Wat is een natie? van Ernest Renan (uitgeverij Elsevier). Naar aanleiding hiervan gaan Martin Bosma, René Cuperus en Yoeri Albrecht op dinsdag 12 maart (20.00 uur) met elkaar in debat in De Balie in Amsterdam.
donderdag 23 april 2015
Patrick van Schie: 'Een ware volksvertegenwoordiger vreest geen referendum' (trouw Opinie 14/04/14)
Met het referendum zou worden getornd aan de vertegenwoordigende democratie. Dit argument werd afgelopen dinsdag in de Eerste Kamer weer eens van stal gehaald om het middel van een referendum te bestrijden.
Politici van zogenaamde 'regeringspartijen' stemmen vaak hoe dan ook met alles in dat uit de koker van 'hun' kabinet komt Het werpt de vraag op wat de kern is van onze democratie: de representatie of het zeker stellen dat inzichten van de burgers doorwerken in het staatsbestuur? Die vraag stellen is hem beantwoorden.
Een voorkeur voor een vertegenwoordigende democratie boven een directe democratie kan op twee soorten argumenten berusten: praktische en principiële. Een vaak gehanteerd praktisch bezwaar is 'het digitale karakter van het referendum'. De CDA-woordvoerster in de Eerste Kamer schoof dit bezwaar vorige week naar voren. Kiezers kunnen bij een referendum slechts 'ja' of 'nee' zeggen, zij kunnen niet meer aan verbetering van een wet werken.
Merkwaardig argument
Uit de mond van een Eerste Kamerlid klinkt dit argument nogal merkwaardig. Ook de Eerste Kamer heeft immers (formeel) geen recht van amendement en kan na een debat een wetsvoorstel slechts aannemen of verwerpen. Zelfs in de Tweede Kamer komt het bij een stemming uiteindelijk toch aan op voor of tegen. Wat is dán het verschil met een referendum?
Een ander praktisch argument is dat van de arbeidsdeling. Het werd ruim een week geleden door hoogleraar rechtsfilosofie Andreas Kinneging naar voren gebracht in het TV-programma 'Buitenhof'. De gemiddelde burger heeft niet de tijd, en meestal ook niet de belangstelling, die nodig is om alle wetsvoorstellen te bestuderen, te bediscussiëren en te beoordelen. Net zoals artsen zich specialiseren in medische zaken, zo specialiseren volksvertegenwoordigers zich in politieke zaken.
Dit is een zeer legitiem argument om het leeuwendeel van de politieke kwesties door een parlement te laten behandelen, hoewel je het argument ook zou kunnen omdraaien: indien alle burgers zich telkens in de rijstebrij aan wetsvoorstellen zouden moeten verdiepen zet dat misschien een rem op de hoeveelheid wet- en regelgeving.
In ieder geval heeft het gemiddelde Tweede Kamerlid minder levenservaring dan de doorsnee kiesgerechtigde burger Artsen en politici Maar ook als we met het argument meegaan, blijft de vraag of dit moet betekenen dat het parlement in álle kwesties het laatste woord en de kiezer het nakijken heeft. De vergelijking met artsen is daarbij interessant. Als we iets mankeren gaan we inderdaad naar een deskundige, de arts, en we vertrouwen op zijn of haar kennis. Maar wie is nog happy met een arts die autoritair een behandeling voorschrijft? Krijgt een arts van zijn
patiënt een onbeperkt mandaat? Een goede arts zal met zijn patiënt overleggen en de cruciale keuzes inzake een behandeling aan de patiënt voorleggen.
Met het argument van de arbeidsdeling hebben we stilletjes het principiële terrein al betreden. Omdat volksvertegenwoordigers zich full time op de politiek toeleggen zouden zij betere beslissingen nemen dan de burgers.
Dit aloude argument wordt echter niet alleen ontkracht door het gemiddeld steeds hogere opleidingsniveau van de burgers en hun (in de veertig jaar dat het stelselmatig wordt gemeten) toegenomen belangstelling voor de politiek. Want aan de andere kant mag in het bijzonder ten aanzien van Tweede Kamerleden inmiddels de vraag worden gesteld of zij met hun gemiddeld steeds jongere leeftijd en hogere doorlooptijd - een Kamerlid met acht jaar ervaring wordt in menig partij al als 'oud' en dus afgeschreven weggekeken - nog wel over zoveel extra kennis beschikken. In ieder geval heeft het gemiddelde Tweede Kamerlid minder levenservaring dan de doorsnee kiesgerechtigde burger.
De CDA-woordvoerster in de Eerste Kamer sprak de vrees uit dat kiezers in een referendum niet over het wetsvoorstel zelf zullen oordelen, maar 'feitelijk voor of tegen het gehele kabinetsbeleid' zouden gaan stemmen. Haar VVD-collega roemde het 'vertrouwen dat de gekozene zelf besluiten kan en durft te nemen'.
Oneigenlijk stemgedrag
Nu laten de leden van de Eerste Kamer zich gelukkig inderdaad nog geregeld leiden door hun zelfstandig oordeel, maar in de Tweede Kamer is daar door steeds strakkere fractiediscipline nog maar weinig van over. Politici van zogenaamde 'regeringspartijen' stemmen vaak hoe dan ook met alles in dat uit de koker van 'hun' kabinet komt en daartegenover verwerpen fractieleden van 'oppositiepartijen' dat allemaal, tenzij zij hun aanvoerder zich er na een koehandel aan heeft gecommitteerd. Oneigenlijk stemgedrag lijkt al met al een gevaar dat tegenwoordig meer van beroepspolitici dan van burgers is te duchten.
Een overmaat aan referenda zou kiezers algauw referendum-moe maken. Dat zou de democratie geen goed doen. Maar als een middel om af en toe in meer fundamentele kwesties - waaronder bovenal grondwetswijzigingen en verdragen met constitutionele strekking - na te gaan of de 'volksvertegenwoordiging' het volk inderdaad goed heeft vertegenwoordigd, kan een correctief referendum ons stelsel democratischer maken.
Indien volksvertegenwoordigers hun werk goed doen zouden zij het referendum niet hoeven te vrezen.
Patrick van Schie is historicus en directeur van de Teldersstichting, het onafhankelijk wetenschappelijk bureau ten behoeve van het liberalisme gelieerd aan de VVD. Hij schrijft deze column op persoonlijke titel.
woensdag 22 april 2015
Trouw - van Schie / Opinie: De Ware Politicus vreest geen Referendum
Een ware volksvertegenwoordiger vreest geen referendum
Patrick van Schie − 14/04/14, 14:30
© anp.
Met het referendum zou worden getornd aan de vertegenwoordigende democratie. Dit argument werd afgelopen dinsdag in de Eerste Kamer weer eens van stal gehaald om het middel van een referendum te bestrijden.
Politici van zogenaamde 'regeringspartijen' stemmen vaak hoe dan ook met alles in dat uit de koker van 'hun' kabinet komt
Het werpt de vraag op wat de kern is van onze democratie: de representatie of het zeker stellen dat inzichten van de burgers doorwerken in het staatsbestuur? Die vraag stellen is hem beantwoorden.
Een voorkeur voor een vertegenwoordigende democratie boven een directe democratie kan op twee soorten argumenten berusten: praktische en principiële. Een vaak gehanteerd praktisch bezwaar is 'het digitale karakter van het referendum'. De CDA-woordvoerster in de Eerste Kamer schoof dit bezwaar vorige week naar voren. Kiezers kunnen bij een referendum slechts 'ja' of 'nee' zeggen, zij kunnen niet meer aan verbetering van een wet werken.
Merkwaardig argument
Uit de mond van een Eerste Kamerlid klinkt dit argument nogal merkwaardig. Ook de Eerste Kamer heeft immers (formeel) geen recht van amendement en kan na een debat een wetsvoorstel slechts aannemen of verwerpen. Zelfs in de Tweede Kamer komt het bij een stemming uiteindelijk toch aan op voor of tegen. Wat is dán het verschil met een referendum?
Een ander praktisch argument is dat van de arbeidsdeling. Het werd ruim een week geleden door hoogleraar rechtsfilosofie Andreas Kinneging naar voren gebracht in het TV-programma 'Buitenhof'. De gemiddelde burger heeft niet de tijd, en meestal ook niet de belangstelling, die nodig is om alle wetsvoorstellen te bestuderen, te bediscussiëren en te beoordelen. Net zoals artsen zich specialiseren in medische zaken, zo specialiseren volksvertegenwoordigers zich in politieke zaken.
Dit is een zeer legitiem argument om het leeuwendeel van de politieke kwesties door een parlement te laten behandelen, hoewel je het argument ook zou kunnen omdraaien: indien alle burgers zich telkens in de rijstebrij aan wetsvoorstellen zouden moeten verdiepen zet dat misschien een rem op de hoeveelheid wet- en regelgeving.
Een voorkeur voor een vertegenwoordigende democratie boven een directe democratie kan op twee soorten argumenten berusten: praktische en principiële. Een vaak gehanteerd praktisch bezwaar is 'het digitale karakter van het referendum'. De CDA-woordvoerster in de Eerste Kamer schoof dit bezwaar vorige week naar voren. Kiezers kunnen bij een referendum slechts 'ja' of 'nee' zeggen, zij kunnen niet meer aan verbetering van een wet werken.
Merkwaardig argument
Uit de mond van een Eerste Kamerlid klinkt dit argument nogal merkwaardig. Ook de Eerste Kamer heeft immers (formeel) geen recht van amendement en kan na een debat een wetsvoorstel slechts aannemen of verwerpen. Zelfs in de Tweede Kamer komt het bij een stemming uiteindelijk toch aan op voor of tegen. Wat is dán het verschil met een referendum?
Een ander praktisch argument is dat van de arbeidsdeling. Het werd ruim een week geleden door hoogleraar rechtsfilosofie Andreas Kinneging naar voren gebracht in het TV-programma 'Buitenhof'. De gemiddelde burger heeft niet de tijd, en meestal ook niet de belangstelling, die nodig is om alle wetsvoorstellen te bestuderen, te bediscussiëren en te beoordelen. Net zoals artsen zich specialiseren in medische zaken, zo specialiseren volksvertegenwoordigers zich in politieke zaken.
Dit is een zeer legitiem argument om het leeuwendeel van de politieke kwesties door een parlement te laten behandelen, hoewel je het argument ook zou kunnen omdraaien: indien alle burgers zich telkens in de rijstebrij aan wetsvoorstellen zouden moeten verdiepen zet dat misschien een rem op de hoeveelheid wet- en regelgeving.
In ieder geval heeft het gemiddelde Tweede Kamerlid minder levenservaring dan de doorsnee kiesgerechtigde burger
Artsen en politici
Maar ook als we met het argument meegaan, blijft de vraag of dit moet betekenen dat het parlement in álle kwesties het laatste woord en de kiezer het nakijken heeft. De vergelijking met artsen is daarbij interessant. Als we iets mankeren gaan we inderdaad naar een deskundige, de arts, en we vertrouwen op zijn of haar kennis. Maar wie is nog happy met een arts die autoritair een behandeling voorschrijft? Krijgt een arts van zijn patiënt een onbeperkt mandaat? Een goede arts zal met zijn patiënt overleggen en de cruciale keuzes inzake een behandeling aan de patiënt voorleggen.
Met het argument van de arbeidsdeling hebben we stilletjes het principiële terrein al betreden. Omdat volksvertegenwoordigers zich full time op de politiek toeleggen zouden zij betere beslissingen nemen dan de burgers.
Dit aloude argument wordt echter niet alleen ontkracht door het gemiddeld steeds hogere opleidingsniveau van de burgers en hun (in de veertig jaar dat het stelselmatig wordt gemeten) toegenomen belangstelling voor de politiek. Want aan de andere kant mag in het bijzonder ten aanzien van Tweede Kamerleden inmiddels de vraag worden gesteld of zij met hun gemiddeld steeds jongere leeftijd en hogere doorlooptijd - een Kamerlid met acht jaar ervaring wordt in menig partij al als 'oud' en dus afgeschreven weggekeken - nog wel over zoveel extra kennis beschikken. In ieder geval heeft het gemiddelde Tweede Kamerlid minder levenservaring dan de doorsnee kiesgerechtigde burger.
De CDA-woordvoerster in de Eerste Kamer sprak de vrees uit dat kiezers in een referendum niet over het wetsvoorstel zelf zullen oordelen, maar 'feitelijk voor of tegen het gehele kabinetsbeleid' zouden gaan stemmen. Haar VVD-collega roemde het 'vertrouwen dat de gekozene zelf besluiten kan en durft te nemen'.
Oneigenlijk stemgedrag
Nu laten de leden van de Eerste Kamer zich gelukkig inderdaad nog geregeld leiden door hun zelfstandig oordeel, maar in de Tweede Kamer is daar door steeds strakkere fractiediscipline nog maar weinig van over. Politici van zogenaamde 'regeringspartijen' stemmen vaak hoe dan ook met alles in dat uit de koker van 'hun' kabinet komt en daartegenover verwerpen fractieleden van 'oppositiepartijen' dat allemaal, tenzij zij hun aanvoerder zich er na een koehandel aan heeft gecommitteerd. Oneigenlijk stemgedrag lijkt al met al een gevaar dat tegenwoordig meer van beroepspolitici dan van burgers is te duchten.
Een overmaat aan referenda zou kiezers algauw referendum-moe maken. Dat zou de democratie geen goed doen. Maar als een middel om af en toe in meer fundamentele kwesties - waaronder bovenal grondwetswijzigingen en verdragen met constitutionele strekking - na te gaan of de 'volksvertegenwoordiging' het volk inderdaad goed heeft vertegenwoordigd, kan een correctief referendum ons stelsel democratischer maken. Indien volksvertegenwoordigers hun werk goed doen zouden zij het referendum niet hoeven te vrezen.
Patrick van Schie is historicus en directeur van de Teldersstichting, het onafhankelijk wetenschappelijk bureau ten behoeve van het liberalisme gelieerd aan de VVD. Hij schrijft deze column op persoonlijke titel.
Maar ook als we met het argument meegaan, blijft de vraag of dit moet betekenen dat het parlement in álle kwesties het laatste woord en de kiezer het nakijken heeft. De vergelijking met artsen is daarbij interessant. Als we iets mankeren gaan we inderdaad naar een deskundige, de arts, en we vertrouwen op zijn of haar kennis. Maar wie is nog happy met een arts die autoritair een behandeling voorschrijft? Krijgt een arts van zijn patiënt een onbeperkt mandaat? Een goede arts zal met zijn patiënt overleggen en de cruciale keuzes inzake een behandeling aan de patiënt voorleggen.
Met het argument van de arbeidsdeling hebben we stilletjes het principiële terrein al betreden. Omdat volksvertegenwoordigers zich full time op de politiek toeleggen zouden zij betere beslissingen nemen dan de burgers.
Dit aloude argument wordt echter niet alleen ontkracht door het gemiddeld steeds hogere opleidingsniveau van de burgers en hun (in de veertig jaar dat het stelselmatig wordt gemeten) toegenomen belangstelling voor de politiek. Want aan de andere kant mag in het bijzonder ten aanzien van Tweede Kamerleden inmiddels de vraag worden gesteld of zij met hun gemiddeld steeds jongere leeftijd en hogere doorlooptijd - een Kamerlid met acht jaar ervaring wordt in menig partij al als 'oud' en dus afgeschreven weggekeken - nog wel over zoveel extra kennis beschikken. In ieder geval heeft het gemiddelde Tweede Kamerlid minder levenservaring dan de doorsnee kiesgerechtigde burger.
De CDA-woordvoerster in de Eerste Kamer sprak de vrees uit dat kiezers in een referendum niet over het wetsvoorstel zelf zullen oordelen, maar 'feitelijk voor of tegen het gehele kabinetsbeleid' zouden gaan stemmen. Haar VVD-collega roemde het 'vertrouwen dat de gekozene zelf besluiten kan en durft te nemen'.
Oneigenlijk stemgedrag
Nu laten de leden van de Eerste Kamer zich gelukkig inderdaad nog geregeld leiden door hun zelfstandig oordeel, maar in de Tweede Kamer is daar door steeds strakkere fractiediscipline nog maar weinig van over. Politici van zogenaamde 'regeringspartijen' stemmen vaak hoe dan ook met alles in dat uit de koker van 'hun' kabinet komt en daartegenover verwerpen fractieleden van 'oppositiepartijen' dat allemaal, tenzij zij hun aanvoerder zich er na een koehandel aan heeft gecommitteerd. Oneigenlijk stemgedrag lijkt al met al een gevaar dat tegenwoordig meer van beroepspolitici dan van burgers is te duchten.
Een overmaat aan referenda zou kiezers algauw referendum-moe maken. Dat zou de democratie geen goed doen. Maar als een middel om af en toe in meer fundamentele kwesties - waaronder bovenal grondwetswijzigingen en verdragen met constitutionele strekking - na te gaan of de 'volksvertegenwoordiging' het volk inderdaad goed heeft vertegenwoordigd, kan een correctief referendum ons stelsel democratischer maken. Indien volksvertegenwoordigers hun werk goed doen zouden zij het referendum niet hoeven te vrezen.
Patrick van Schie is historicus en directeur van de Teldersstichting, het onafhankelijk wetenschappelijk bureau ten behoeve van het liberalisme gelieerd aan de VVD. Hij schrijft deze column op persoonlijke titel.
Labels:
Democratie,
Referendum,
Vernieuwing Democratie
maandag 12 januari 2015
donderdag 27 november 2014
De Goede Overheid(s Partij): Deel-1 - 'Stofzuigen tussen satellieten' - BAS DEN HOND, Trouw
Er zijn nogal wat mensen die altijd vinden dat ze teveel belasting betalen (ook al betalen ze steeds minder en/of gewoon te weinig. Telegraaf-hoof-redacteur Jules Paradijs is er zo eentje, en met zijn krant sleept hij honderdduizenden dolende, goedgelovige (in Paradijs dan, natuurlijk HATEN ze alles wat maar een zweempje Links in zich heeft), en niet al te nadenkende, beperkt opgeleide lieden in zijn kielzog van Chocolade-letters vretende 'aanhangers' met zich mee...
Uitspraak van 'dikke Jules': "De overheid moet er voor zorgen dat de lantarens branden, en dat is het dan wel zo'n beetje..!" Over onbenul gesproken!
In deze serie artikelen die laten zien dat de wereld steeds ingewikkelder wordt, dat mensen in die wereld een goed functionerende Overheid nodig hebben, nee; dat zelfs de meeste bedrijven die Goede Overheid NODIG hebben!
Deel-1:
'Stofzuigen tussen satellieten'
BAS DEN HOND, Trouw,(18/01/14)
Stofzuigen tussen satellieten
BAS DEN HOND − 18/01/14, 00:00
Op grote hoogten zitten elektrisch geladen deeltjes gevangen in het magnetisch veld van de aarde. Ze verstoren de elektronica van satellieten of zandstralen de zonnepanelen die ze tegenkomen. Wetenschappers werken daarom aan een ruimtebezem.
BOSTON (VS) - Het klassieke voorbeeld dat economen geven om uit te leggen waarom een overheid soms best een goed idee is, is de vuurtoren. Ooit waren die van levensbelang voor de scheepvaart. Maar je kon geen bedrijf beginnen dat vuurtorens bouwde en exploiteerde: hoe had je moeten afdwingen dat een langsvarend schip, veilig dankzij die ronddraaiende lichtbundel, voor de dienst betaalde?
Nu vuurtorens monumenten zijn geworden van een verleden zonder GPS, wordt het tijd voor een nieuw voorbeeld. En je hoeft niet verder te zoeken dan het GPS-systeem zelf en de problemen die deze satellieten in hun baan ondervinden door een bombardement van snel bewegende elektrisch geladen deeltjes: elektronen en protonen. Als er een manier gevonden zou kunnen worden om hun omgeving schoon te vegen, zou je daar miljoenen mee kunnen besparen. Maar ook hier is het probleem: een satelliet-eigenaar die niet voor die dienst betaalt, profiteert er evengoed van.
In dit geval is er nog geen overheid wakker geworden die er geld in steekt. Maar in hoop op betere tijden wordt in laboratoria her en der in de wereld al jaren aan het idee gesleuteld. Door Reiner Friedel onder andere, van het Los Alamos National Laboratory in de VS. Hij behoort tot degenen die het idee levend houden van de 'ruimtebezem', die de stralingsgordels rond de aarde een milder klimaat moet geven.
Van pool tot pool
Er zijn twee van die Van Allengordels. De binnenste bevindt zich (bij de evenaar gemeten) op 1000 kilometer tot 6000 kilometer hoogte en bevat vooral zware protonen, de buitenste gaat van 13.000 tot soms wel 60.000 kilometer hoog en daar zijn het vooral elektronen die de schade veroorzaken.
De elektrisch geladen deeltjes zitten op die hoogten gevangen in het magnetisch veld van de aarde. Dat veld loopt overal rond de planeet in een grote boog van pool tot pool. Deeltjes die ongeveer in de richting van het veld bewegen, merken er niet zoveel van. Deeltjes die dwars op het veld bewegen, worden er voortdurend door afgebogen, zodat ze in cirkels bewegen en niet verder komen. De meeste deeltjes hebben een richting daartussenin en doen allebei: het resultaat is een spiraalvormige beweging naar een van de magnetische polen. Daar in de buurt gekomen, wordt het magnetisch veld sterker, de spiraalbeweging strakker en de snelheid kleiner, tot ze stilstaan en daarna terugkaatsen, naar de andere pool. Tenzij ze voor die tijd een satelliet tegenkomen en daarvan de elektronica storen, of de zonnepanelen helpen zandstralen.
Tot nu toe hebben de bouwers van satellieten twee opties om die schade te verkleinen: ze kunnen hun elektronica steviger uitvoeren en afschermen, wat geld kost en door het extra gewicht de lanceerkosten verhoogt. Of ze kunnen de satelliet een baan geven die misschien minder economisch is, maar de stralingsgordels grotendeels vermijdt. Helemaal lukt dat niet, omdat die gordels niet zo mooi cirkelvormig zijn als satellietbanen kunnen zijn. En sommige satellieten hebben banen nodig die verre van cirkelvormig zijn: die kunnen zowel de binnenste als de buitenste baan tegenkomen.
De Van Allengordels werden in 1958 ontdekt, door de Explorer 1 en de Explorer 3, de allereerste satellieten die de VS in een baan om de aarde brachten, kort nadat de Sovjet-Unie de primeur had gehad met haar Spoetniks. Sindsdien zijn er allerlei ideeën geopperd om de schadelijke deeltjes uit te schakelen. Het meest extreme was boven de aarde een atoombom te laten ontploffen. Dat zou de atmosfeer tijdelijk zo hoog opstuwen, dat zij tot in de Van Allengordels zou reiken, daar de deeltjes in hun vaart stuiten en ze daarmee verlossen van de houdgreep van het magnetisch veld.
De meest veelbelovende methode maakt ook gebruik van de atmosfeer, maar dan wat subtieler. Bij het heen en weer kaatsen langs het magnetisch veld van de aarde, komen sommige deeltjes zo dicht bij de polen dat ze in de buitenste lagen van de atmosfeer komen en op luchtmoleculen kunnen botsen.
Motregen van deeltjes
En dat proces kun je bevorderen, hebben Friedel en zijn collega's berekend. Als je een satelliet lanceert die radiogolven uitzendt van de goede frequentie, de frequentie waarmee een elektron of proton spiraliseert, dan kan die spiraalbeweging zo worden veranderd dat het deeltje dichter bij de aarde komt voor het terugkaatst en een grotere kans heeft om een luchtmolecuul te raken. Op die manier zal uit de stralingsgordels een gestage motregen van deeltjes vallen.
Dat dit kan werken, is geen vraag. Tussen de twee Van Allengordels zit een laag boven de aarde waar niets aan de hand is. Die is door de natuur schoongeveegd, doordat allerlei processen, waaronder bliksemflitsen op aarde, zorgen voor een voortdurende bestraling met radiogolven die de goede golflengte hebben om op die hoogte de deeltjes te laten verdwijnen.
Nadere berekeningen, onlangs nog door Maria de Soria-Santa Cruz van het Massachusetts Institute of Technology in het tijdschrift Geophysical Research Letters, wijzen uit dat die methode grote problemen kent als het om de protonen van de binnenste stralingsgordel gaat. Die zijn zwaar, dus heb je een radiozender met flink vermogen nodig om hun beweging te beïnvloeden. Maar door hun grote massa spiraliseren ze ook langzaam. De opdracht is dus om sterke radiogolven uit te zenden met een frequentie van slechts 4 KHz en dus een golflengte van een kleine honderd kilometer. Dat lijkt praktisch niet uitvoerbaar. Maar voor de elektronen in de buitenste stralingsgordel lijkt het wel goed te doen.
En het is de investering waard, zegt Friedel. Als je alleen al kijkt naar de verzameling GPS-satellieten die om de aarde draait: de vervangingskosten daarvan bedragen zo'n 3,75 miljard euro. Ze zijn ontworpen om het 15 jaar in de ruimte uit te houden. Als een ruimtebezem die periode met 2 jaar kan rekken, heb je dus al een slordige 500 miljoen euro verdiend. Ongeveer dat kost het, schat hij, om een ruimtebezem te bouwen en te lanceren. De besparing voor alle andere satellieten die daarboven voortaan minder door energierijke elektronen worden geteisterd, krijg je dan cadeau.
Ruimtelijke kernproef
En als dat al geen argument genoeg is, wil Friedel, werkzaam op het laboratorium waar de Amerikaanse atoombom werd ontwikkeld, er ook nog wel het argument van de nationale veiligheid tegenaan gooien. Want het is niet alleen de natuur die kan zorgen voor elektrisch geladen deeltjes rond de aarde.
In 1962 vond een beruchte Amerikaanse kernproef in de atmosfeer plaats, Starfish. Die zorgde voor een derde Van Allengordel van elektronen. De helft van de weinige satellieten die toen in een baan om de aarde draaiden, gaf de geest. Dat waren er nog niet zoveel - maar zo'n ontploffing nu, per ongeluk of als onderdeel van een oorlog of aanslag, zou een onafzienbare economische schade opleveren. Niet alleen zouden vele satellieten bezwijken, maar het zou jaren duren voor de reserve-exemplaren veilig konden worden gelanceerd.
Als verzekering daartegen zou je dus een ruimtebezem op post moeten hebben. Het zou een verzekering zijn die de aardbewoners niets kost, omdat hij zich bij het uitblijven van zo'n kernramp bezig kan houden met het schoonvegen van de natuurlijke stralingsgordels, en zichzelf zo ruim terugverdient. Betalen gaan we er natuurlijk voor op de enige manier die economen voor zo'n openbare dienst kunnen bedenken: met een ruimtebelasting.
Het geheim van de Van Allengordels
Hoewel ze al 55 jaar geleden ontdekt werden, bewaren de Van Allengordels nog steeds het geheim van de oorsprong van die snelle protonen en elektronen. Dat deeltjes gevangen worden in het magnetisch veld van de aarde wordt goed begrepen, maar hun energie is bijna onmogelijk groot: ze bewegen soms met wel 99 procent van de lichtsnelheid, de keiharde maximumsnelheid in deze wereld.
Waarnemingen door de Van Allen Probes, twee satellieten die momenteel de stralingsgordels doorkruisen, hebben een tipje van de sluier opgelicht. Ze worden ingezet om op hetzelfde moment de straling op twee plaatsen in een gordel te meten. Op 9 oktober zagen ze een aanzienlijke toename van het aantal elektronen met hoge energie in de buitenste gordel. En dat gebeurde niet overal in de gordel, maar op een heel specifieke hoogte.
Daarmee was de theorie weerlegd dat de elektronen overal in de gordel op dezelfde manier worden versneld, door een algemeen verspreid magnetisch effect. Kennelijk ontstaat er op sommige momenten een 'versneller' op die specifieke hoogte, een proces dat radiogolven voortbrengt van precies de goede frequentie om de elektronen op te jagen.
Die radiogolven worden weer voortgebracht door de beweging van andere geladen deeltjes in het magnetisch veld van de aarde. Maar hoe dat proces precies verloopt, moet nog worden uitgezocht.
Abonneren op:
Posts (Atom)