donderdag 1 oktober 2015
VERNIEUWING DEMOCRATIE / VOORBEELD / INDONESIË: Twitter Zet Indonesische Democratie op zijn Kop
Jakarta twitterhoofdstad van de wereld
WOUTER VAN CLEEF − 25/08/15, originele artikel van Trouw
Sociale media kans voor nieuwe generatie Indonesische politici. Partijkader is niet langer zaligmakend.
De edele kunst van het 'nongkrong' (hangen, kletsen, WvC) beheersen Indonesiërs als geen ander. Koken, beroemdheden, familierelaties en files: het zijn onderwerpen waarover eindeloos wordt gepraat en geroddeld, liefst onder het genot van een kopje thee. De laatste jaren speelt het 'nongkrong' zich steeds minder af op straat en steeds vaker op sociale media. Sterker, nergens wordt meer getwitterd dan in de Indonesische hoofdstad. Verschillende onderzoeksbureaus riepen Jakarta zelfs uit tot 'Twitterhoofdstad van de wereld'.
Dat eindeloze getweet gaat niet alleen over koetjes en kafljes, ook serieuze onderwerpen komen aan bod. Politiek bijvoorbeeld. Een jaar geleden boekte president Joko 'Jokowi' Widodo een verkiezingsoverwinning die deels te danken was aan de aandacht die hij kreeg op sociale media, vertellen Kartika Djoemadi en Hari Adhi. Als vrijwilligers van Jokowi's campagneteam tweetten en facebookten zij zich een slag in de rondte over hun politieke idool.
"Voor de campagne zeiden veel mensen dat sociale media onbelangrijk waren, maar we hebben laten zien dat het een goedkope manier is om aandacht te krijgen", zegt Hari Adhi (31), die in het dagelijks leven als grafisch ontwerper werkt.
Fabrikanten van 'spanduk' (spandoeken) doen altijd goede zaken in verkiezingstijd, maar nu de president ruim 3 miljoen volgers heeft en zijn tegenstander van vorig jaar Prabowo Subianto bijna 2 miljoen, is Twitter een populair én voordelig campagnemiddel. Iets minder dan de helft van alle Indonesiërs is jonger dan 40 jaar, een interessante doelgroep voor politici.
Vorig jaar maakte Twitter bekend dat zo'n 20 miljoen Indonesiërs een account hebben, de meeste van hen in de grote steden, vertellen Kartika en Hari. Daar hebben meer mensen geld om een smartphone aan te schaffen dan op het platteland.
Waarom twitteren Indonesiërs eigenlijk zoveel? "Vooral in Jakarta staan mensen ontzettend lang in de file. Om de tijd te doden sturen ze berichten via hun smartphone", weet Kartika Djoemadi (35).
Maar Twitter is meer dan een manier om de tijd te doden en een groot publiek te bereiken. Sociale media kunnen de politiek in het land helpen veranderen, denken de twee sociale media experts.
Een van de opvallendste trends de laatste jaren is de opkomst van ambitieuze, hervormingsgezinde politici in de grote Javaanse steden. In Bandung en Surabaya, respectievelijk de tweede en derde stad van het land, werden burgemeesters gekozen die naam maakten om hun praktische en soms harde aanpak, terwijl ze minder sterk gebonden zijn aan oude partijkaders. Tot voor kort was het praktisch ondenkbaar dat deze belangrijke posten bezet konden worden door kandidaten die zich niet eerst jarenlang opwerkten in een partijapparaat.
Voor politici die niet gebonden zijn aan het establishment kunnen sociale media een belangrijk hulpmiddel zijn. Burgemeester Ridwan Kamil (43) van Bandung won twee jaar geleden de lokale verkiezingen mede door zijn twitterschare van inmiddels 1,2 miljoen volgers. Hoewel hij zich later aansloot bij de oppositionele Gerindra-partij, liet Kamil zien dat een partijkader niet langer de sleutel is tot een verkiezingsoverwinning.
Voor deze buitenstaanders zijn sociale media extra belangrijk, vertellen Kartika en Hari. Veel Indonesische media zijn immers gelieerd aan grote partijen of tycoons, wat het voor buitenstaanders moeilijker maakt in de schijnwerpers te komen.
"In grote steden waar veel mensen op sociale media zitten kunnen sociale media de democratie versterken, maar het effect verschilt sterk per regio", zegt Kartika Djoemadi.
Die grote diversiteit tussen verschillende groepen in het land is ook bepalend voor de manier waarop sociale media in campagnes worden ingezet, legt Hari Adhi uit. Hij stuurde regionale steuncomités voor Jokowi's campagne aan. Voor verschillende etnische groepen liet Adhi specifiek toegesneden boodschappen verspreiden. "In west-Sumatra (een tamelijk conservatief-islamitisch gebied, red) werd getwijfeld of Jokowi wel echt moslim was. Ons comité daar meldde dat hij inderdaad islamiet was. Op andere plekken tweetten we in de lokale taal, dat slaat aan bij kiezers."
Liever goede hashtag dan de straat op
Net als in de Arabische wereld gebruiken ook kritische Indonesiërs het internet om hun ongenoegen te uiten.
Begin juli werden massaal foto's gedeeld van een dienstauto van een generaal die tijdens een autoloze zondag met politie-escorte door het centrum van Jakarta reed. De boze reacties op sociale media over de arrogantie van de onbekend gebleven legerleider waren niet van de lucht.
De grootste protestactie op sociale media tot nog toe vond eerder dit jaar plaats toen er haast een oorlog ontbrandde tussen de anti-corruptie commissie (KPK) en de landelijke politie. De KPK beschuldigde de kandidaat-politiechef van corruptie. Niet veel later arresteerde de politie een van de topcorruptiebestrijders.
Bezorgde burgers, die met lede ogen toezagen hoe de reputatie en slagkracht van de corruptiewaakhond ervan langs kregen, gingen niet als vroeger massaal de straat op, maar lieten vooral op twitter - met de hashtag #SaveKPK - van zich horen.
Labels:
Democratie,
Goed,
in het Buitenland,
Indonesië,
Media,
Nieuwe,
Sociale,
Twitter,
Vernieuwing Democratie,
Voorbeeld
maandag 29 juni 2015
Burgerforum EU
'Volkssoevereiniteit noopt tot referendum'
OPINIE De 40.000 handtekeningen voor het Burgerforum EU zijn binnen. Een referendum zal zand strooien in de raderen van het Europese integratieproces, schrijven Geerten Waling en Coos Huijsen. Maar: 'Elke politicus die soevereiniteit wil overdragen van de natie naar een nieuwe macht, is het aan de democratische traditie verplicht stil te staan bij het oordeel van de bevolking.'
Zo’n saamhorigheidsgevoel is op Europese schaal nog ver te zoeken, en wordt alleen maar onwaarschijnlijker naarmate de crisisconjunctuur de verschillende economieën verder uit elkaar speelt
De 40.000 handtekeningen voor het Burgerforum EU waren in enkele weken tijd geregeld. Niet zo vreemd: 64 procent van de Nederlanders wil een referendum over de Europese integratie, peilde Maurice de Hond.
Nu het burgerinitiatief een feit is, is de Tweede Kamer wettelijk verplicht het EU-referendum op de agenda zetten. Maar dat betekent nog niet dat het er ook komt. Het parlement is schuchter, de Democraten uit '66 voorop.
Ongemakken
Een referendum zal, wat ook de vraag precies wordt, zand strooien in de raderen van het Europese integratieproces. Met alle economische en politieke ongemakken van dien. Dat maakt de soevereiniteit van de nationale bevolking tot een ongemakkelijk politiek onderwerp. Maar laat die soevereiniteit zich ongestraft ontkennen?
Het belangrijkste politieke niveau is nog altijd dat van de natiestaat. Zoals Mark Rutte, de belangrijkste functionaris van die natiestaat, recent nog bevestigde bij Pauw&Witteman: 'Wij zijn soeverein en autonoom.' Toch wordt, onder druk van ingrijpende crisismaatregelen, soevereiniteit overgeheveld van het nationale niveau naar een supranationale constellatie in Brussel.
In roerige tijden voldoet het niet om bij het uitstippelen van politiek beleid te kijken naar het roerige heden of de onzekere toekomst. We zouden meer beroep moeten doen op de lange geschiedenis van economisch en sociaal succes, en ons afvragen welke tradities en instituties nog een actuele waarde bezitten, of sterker nog: een verplichting in zich meedragen. Dat is het geval bij de natie.
Saamhorigheidsgevoel
Want een natie, zo stelde de Franse historicus Ernest Renan in zijn beroemde lezing Wat is een natie? (1882), bestaat alleen bij gratie van de vrije wil van haar bevolking. Die mensen moeten bij elkaar willen horen. 'Een natie is een ziel, een geestelijk beginsel. Twee dingen vormen deze ziel, dit geestelijke beginsel. Het ene is het gemeenschappelijk bezit van een rijke erfenis aan herinneringen; het andere is het tegenwoordige saamhorigheidsgevoel, de wens om samen te leven, om opnieuw waarde te geven aan de erfenis die men samen ontvangen heeft.'
Zo'n saamhorigheidsgevoel is op Europese schaal nog ver te zoeken, en wordt alleen maar onwaarschijnlijker naarmate de crisisconjunctuur de verschillende economieën verder uit elkaar speelt. Op nationale schaal is zo'n gevoel sterker aanwezig en vormt het een prominent onderdeel van het diverse palet aan identiteiten waarover wij kunnen beschikken.
Nu is een natie beslist niet heilig of eeuwig. Grensoverschrijdende problemen als milieu, bankentoezicht en migratie kunnen alleen door een sterk bondgenootschap worden aangepakt. Al die kleine en middelgrote Europese landen kunnen niet zonder elkaar, op een wereldtoneel dat steeds diffuser wordt. En ze hoeven ook niet zonder elkaar: al een halve eeuw lang is bewezen dat er voor intensieve samenwerking op het continent genoeg solidariteit bestaat.
Soevereiniteitsoverdracht
Maar dit neemt niet weg dat de vorm waarin de democratische rechtstaat zich sinds 1848 het best handhaaft nog altijd de natie is. Daarom moet bij verregaande soevereiniteitsoverdracht met twee factoren rekening worden gehouden: met de tastbare politieke kwestie van democratische legitimiteit; en met het emotionele aspect dat kleeft aan een natie. In Renans woorden: 'Aan nationaliteit zit een gevoelskant; zij is tegelijk ziel en lichaam; een Zollverein is geen vaderland.'
Elke politicus die soevereiniteit wil overdragen van de natie naar een nieuwe macht, is het aan de democratische traditie verplicht stil te staan bij het oordeel van de bevolking aan wie de soevereiniteit wordt onttrokken. Daarom zou het, juist in de geest van Renan, wijs zijn een referendum te houden over de gevolgen van Europese integratie voor de natie: 'Als er twijfels opdoemen over haar grenzen, raadpleeg dan de bevolkingen in kwestie. Zij hebben als geen ander het recht daarover een mening te hebben.'
Coos Huijsen en Geerten Waling zijn historici. Van de auteurs verschijnt deze week een moderne vertaling van, en een inleiding en duiding bij de lezing Wat is een natie? van Ernest Renan (uitgeverij Elsevier). Naar aanleiding hiervan gaan Martin Bosma, René Cuperus en Yoeri Albrecht op dinsdag 12 maart (20.00 uur) met elkaar in debat in De Balie in Amsterdam.
Nu het burgerinitiatief een feit is, is de Tweede Kamer wettelijk verplicht het EU-referendum op de agenda zetten. Maar dat betekent nog niet dat het er ook komt. Het parlement is schuchter, de Democraten uit '66 voorop.
Ongemakken
Een referendum zal, wat ook de vraag precies wordt, zand strooien in de raderen van het Europese integratieproces. Met alle economische en politieke ongemakken van dien. Dat maakt de soevereiniteit van de nationale bevolking tot een ongemakkelijk politiek onderwerp. Maar laat die soevereiniteit zich ongestraft ontkennen?
Het belangrijkste politieke niveau is nog altijd dat van de natiestaat. Zoals Mark Rutte, de belangrijkste functionaris van die natiestaat, recent nog bevestigde bij Pauw&Witteman: 'Wij zijn soeverein en autonoom.' Toch wordt, onder druk van ingrijpende crisismaatregelen, soevereiniteit overgeheveld van het nationale niveau naar een supranationale constellatie in Brussel.
In roerige tijden voldoet het niet om bij het uitstippelen van politiek beleid te kijken naar het roerige heden of de onzekere toekomst. We zouden meer beroep moeten doen op de lange geschiedenis van economisch en sociaal succes, en ons afvragen welke tradities en instituties nog een actuele waarde bezitten, of sterker nog: een verplichting in zich meedragen. Dat is het geval bij de natie.
Saamhorigheidsgevoel
Want een natie, zo stelde de Franse historicus Ernest Renan in zijn beroemde lezing Wat is een natie? (1882), bestaat alleen bij gratie van de vrije wil van haar bevolking. Die mensen moeten bij elkaar willen horen. 'Een natie is een ziel, een geestelijk beginsel. Twee dingen vormen deze ziel, dit geestelijke beginsel. Het ene is het gemeenschappelijk bezit van een rijke erfenis aan herinneringen; het andere is het tegenwoordige saamhorigheidsgevoel, de wens om samen te leven, om opnieuw waarde te geven aan de erfenis die men samen ontvangen heeft.'
Zo'n saamhorigheidsgevoel is op Europese schaal nog ver te zoeken, en wordt alleen maar onwaarschijnlijker naarmate de crisisconjunctuur de verschillende economieën verder uit elkaar speelt. Op nationale schaal is zo'n gevoel sterker aanwezig en vormt het een prominent onderdeel van het diverse palet aan identiteiten waarover wij kunnen beschikken.
Nu is een natie beslist niet heilig of eeuwig. Grensoverschrijdende problemen als milieu, bankentoezicht en migratie kunnen alleen door een sterk bondgenootschap worden aangepakt. Al die kleine en middelgrote Europese landen kunnen niet zonder elkaar, op een wereldtoneel dat steeds diffuser wordt. En ze hoeven ook niet zonder elkaar: al een halve eeuw lang is bewezen dat er voor intensieve samenwerking op het continent genoeg solidariteit bestaat.
Soevereiniteitsoverdracht
Maar dit neemt niet weg dat de vorm waarin de democratische rechtstaat zich sinds 1848 het best handhaaft nog altijd de natie is. Daarom moet bij verregaande soevereiniteitsoverdracht met twee factoren rekening worden gehouden: met de tastbare politieke kwestie van democratische legitimiteit; en met het emotionele aspect dat kleeft aan een natie. In Renans woorden: 'Aan nationaliteit zit een gevoelskant; zij is tegelijk ziel en lichaam; een Zollverein is geen vaderland.'
Elke politicus die soevereiniteit wil overdragen van de natie naar een nieuwe macht, is het aan de democratische traditie verplicht stil te staan bij het oordeel van de bevolking aan wie de soevereiniteit wordt onttrokken. Daarom zou het, juist in de geest van Renan, wijs zijn een referendum te houden over de gevolgen van Europese integratie voor de natie: 'Als er twijfels opdoemen over haar grenzen, raadpleeg dan de bevolkingen in kwestie. Zij hebben als geen ander het recht daarover een mening te hebben.'
Coos Huijsen en Geerten Waling zijn historici. Van de auteurs verschijnt deze week een moderne vertaling van, en een inleiding en duiding bij de lezing Wat is een natie? van Ernest Renan (uitgeverij Elsevier). Naar aanleiding hiervan gaan Martin Bosma, René Cuperus en Yoeri Albrecht op dinsdag 12 maart (20.00 uur) met elkaar in debat in De Balie in Amsterdam.
donderdag 23 april 2015
Patrick van Schie: 'Een ware volksvertegenwoordiger vreest geen referendum' (trouw Opinie 14/04/14)
Met het referendum zou worden getornd aan de vertegenwoordigende democratie. Dit argument werd afgelopen dinsdag in de Eerste Kamer weer eens van stal gehaald om het middel van een referendum te bestrijden.
Politici van zogenaamde 'regeringspartijen' stemmen vaak hoe dan ook met alles in dat uit de koker van 'hun' kabinet komt Het werpt de vraag op wat de kern is van onze democratie: de representatie of het zeker stellen dat inzichten van de burgers doorwerken in het staatsbestuur? Die vraag stellen is hem beantwoorden.
Een voorkeur voor een vertegenwoordigende democratie boven een directe democratie kan op twee soorten argumenten berusten: praktische en principiële. Een vaak gehanteerd praktisch bezwaar is 'het digitale karakter van het referendum'. De CDA-woordvoerster in de Eerste Kamer schoof dit bezwaar vorige week naar voren. Kiezers kunnen bij een referendum slechts 'ja' of 'nee' zeggen, zij kunnen niet meer aan verbetering van een wet werken.
Merkwaardig argument
Uit de mond van een Eerste Kamerlid klinkt dit argument nogal merkwaardig. Ook de Eerste Kamer heeft immers (formeel) geen recht van amendement en kan na een debat een wetsvoorstel slechts aannemen of verwerpen. Zelfs in de Tweede Kamer komt het bij een stemming uiteindelijk toch aan op voor of tegen. Wat is dán het verschil met een referendum?
Een ander praktisch argument is dat van de arbeidsdeling. Het werd ruim een week geleden door hoogleraar rechtsfilosofie Andreas Kinneging naar voren gebracht in het TV-programma 'Buitenhof'. De gemiddelde burger heeft niet de tijd, en meestal ook niet de belangstelling, die nodig is om alle wetsvoorstellen te bestuderen, te bediscussiëren en te beoordelen. Net zoals artsen zich specialiseren in medische zaken, zo specialiseren volksvertegenwoordigers zich in politieke zaken.
Dit is een zeer legitiem argument om het leeuwendeel van de politieke kwesties door een parlement te laten behandelen, hoewel je het argument ook zou kunnen omdraaien: indien alle burgers zich telkens in de rijstebrij aan wetsvoorstellen zouden moeten verdiepen zet dat misschien een rem op de hoeveelheid wet- en regelgeving.
In ieder geval heeft het gemiddelde Tweede Kamerlid minder levenservaring dan de doorsnee kiesgerechtigde burger Artsen en politici Maar ook als we met het argument meegaan, blijft de vraag of dit moet betekenen dat het parlement in álle kwesties het laatste woord en de kiezer het nakijken heeft. De vergelijking met artsen is daarbij interessant. Als we iets mankeren gaan we inderdaad naar een deskundige, de arts, en we vertrouwen op zijn of haar kennis. Maar wie is nog happy met een arts die autoritair een behandeling voorschrijft? Krijgt een arts van zijn
patiënt een onbeperkt mandaat? Een goede arts zal met zijn patiënt overleggen en de cruciale keuzes inzake een behandeling aan de patiënt voorleggen.
Met het argument van de arbeidsdeling hebben we stilletjes het principiële terrein al betreden. Omdat volksvertegenwoordigers zich full time op de politiek toeleggen zouden zij betere beslissingen nemen dan de burgers.
Dit aloude argument wordt echter niet alleen ontkracht door het gemiddeld steeds hogere opleidingsniveau van de burgers en hun (in de veertig jaar dat het stelselmatig wordt gemeten) toegenomen belangstelling voor de politiek. Want aan de andere kant mag in het bijzonder ten aanzien van Tweede Kamerleden inmiddels de vraag worden gesteld of zij met hun gemiddeld steeds jongere leeftijd en hogere doorlooptijd - een Kamerlid met acht jaar ervaring wordt in menig partij al als 'oud' en dus afgeschreven weggekeken - nog wel over zoveel extra kennis beschikken. In ieder geval heeft het gemiddelde Tweede Kamerlid minder levenservaring dan de doorsnee kiesgerechtigde burger.
De CDA-woordvoerster in de Eerste Kamer sprak de vrees uit dat kiezers in een referendum niet over het wetsvoorstel zelf zullen oordelen, maar 'feitelijk voor of tegen het gehele kabinetsbeleid' zouden gaan stemmen. Haar VVD-collega roemde het 'vertrouwen dat de gekozene zelf besluiten kan en durft te nemen'.
Oneigenlijk stemgedrag
Nu laten de leden van de Eerste Kamer zich gelukkig inderdaad nog geregeld leiden door hun zelfstandig oordeel, maar in de Tweede Kamer is daar door steeds strakkere fractiediscipline nog maar weinig van over. Politici van zogenaamde 'regeringspartijen' stemmen vaak hoe dan ook met alles in dat uit de koker van 'hun' kabinet komt en daartegenover verwerpen fractieleden van 'oppositiepartijen' dat allemaal, tenzij zij hun aanvoerder zich er na een koehandel aan heeft gecommitteerd. Oneigenlijk stemgedrag lijkt al met al een gevaar dat tegenwoordig meer van beroepspolitici dan van burgers is te duchten.
Een overmaat aan referenda zou kiezers algauw referendum-moe maken. Dat zou de democratie geen goed doen. Maar als een middel om af en toe in meer fundamentele kwesties - waaronder bovenal grondwetswijzigingen en verdragen met constitutionele strekking - na te gaan of de 'volksvertegenwoordiging' het volk inderdaad goed heeft vertegenwoordigd, kan een correctief referendum ons stelsel democratischer maken.
Indien volksvertegenwoordigers hun werk goed doen zouden zij het referendum niet hoeven te vrezen.
Patrick van Schie is historicus en directeur van de Teldersstichting, het onafhankelijk wetenschappelijk bureau ten behoeve van het liberalisme gelieerd aan de VVD. Hij schrijft deze column op persoonlijke titel.
woensdag 22 april 2015
Trouw - van Schie / Opinie: De Ware Politicus vreest geen Referendum
Een ware volksvertegenwoordiger vreest geen referendum
Patrick van Schie − 14/04/14, 14:30
© anp.
Met het referendum zou worden getornd aan de vertegenwoordigende democratie. Dit argument werd afgelopen dinsdag in de Eerste Kamer weer eens van stal gehaald om het middel van een referendum te bestrijden.
Politici van zogenaamde 'regeringspartijen' stemmen vaak hoe dan ook met alles in dat uit de koker van 'hun' kabinet komt
Het werpt de vraag op wat de kern is van onze democratie: de representatie of het zeker stellen dat inzichten van de burgers doorwerken in het staatsbestuur? Die vraag stellen is hem beantwoorden.
Een voorkeur voor een vertegenwoordigende democratie boven een directe democratie kan op twee soorten argumenten berusten: praktische en principiële. Een vaak gehanteerd praktisch bezwaar is 'het digitale karakter van het referendum'. De CDA-woordvoerster in de Eerste Kamer schoof dit bezwaar vorige week naar voren. Kiezers kunnen bij een referendum slechts 'ja' of 'nee' zeggen, zij kunnen niet meer aan verbetering van een wet werken.
Merkwaardig argument
Uit de mond van een Eerste Kamerlid klinkt dit argument nogal merkwaardig. Ook de Eerste Kamer heeft immers (formeel) geen recht van amendement en kan na een debat een wetsvoorstel slechts aannemen of verwerpen. Zelfs in de Tweede Kamer komt het bij een stemming uiteindelijk toch aan op voor of tegen. Wat is dán het verschil met een referendum?
Een ander praktisch argument is dat van de arbeidsdeling. Het werd ruim een week geleden door hoogleraar rechtsfilosofie Andreas Kinneging naar voren gebracht in het TV-programma 'Buitenhof'. De gemiddelde burger heeft niet de tijd, en meestal ook niet de belangstelling, die nodig is om alle wetsvoorstellen te bestuderen, te bediscussiëren en te beoordelen. Net zoals artsen zich specialiseren in medische zaken, zo specialiseren volksvertegenwoordigers zich in politieke zaken.
Dit is een zeer legitiem argument om het leeuwendeel van de politieke kwesties door een parlement te laten behandelen, hoewel je het argument ook zou kunnen omdraaien: indien alle burgers zich telkens in de rijstebrij aan wetsvoorstellen zouden moeten verdiepen zet dat misschien een rem op de hoeveelheid wet- en regelgeving.
Een voorkeur voor een vertegenwoordigende democratie boven een directe democratie kan op twee soorten argumenten berusten: praktische en principiële. Een vaak gehanteerd praktisch bezwaar is 'het digitale karakter van het referendum'. De CDA-woordvoerster in de Eerste Kamer schoof dit bezwaar vorige week naar voren. Kiezers kunnen bij een referendum slechts 'ja' of 'nee' zeggen, zij kunnen niet meer aan verbetering van een wet werken.
Merkwaardig argument
Uit de mond van een Eerste Kamerlid klinkt dit argument nogal merkwaardig. Ook de Eerste Kamer heeft immers (formeel) geen recht van amendement en kan na een debat een wetsvoorstel slechts aannemen of verwerpen. Zelfs in de Tweede Kamer komt het bij een stemming uiteindelijk toch aan op voor of tegen. Wat is dán het verschil met een referendum?
Een ander praktisch argument is dat van de arbeidsdeling. Het werd ruim een week geleden door hoogleraar rechtsfilosofie Andreas Kinneging naar voren gebracht in het TV-programma 'Buitenhof'. De gemiddelde burger heeft niet de tijd, en meestal ook niet de belangstelling, die nodig is om alle wetsvoorstellen te bestuderen, te bediscussiëren en te beoordelen. Net zoals artsen zich specialiseren in medische zaken, zo specialiseren volksvertegenwoordigers zich in politieke zaken.
Dit is een zeer legitiem argument om het leeuwendeel van de politieke kwesties door een parlement te laten behandelen, hoewel je het argument ook zou kunnen omdraaien: indien alle burgers zich telkens in de rijstebrij aan wetsvoorstellen zouden moeten verdiepen zet dat misschien een rem op de hoeveelheid wet- en regelgeving.
In ieder geval heeft het gemiddelde Tweede Kamerlid minder levenservaring dan de doorsnee kiesgerechtigde burger
Artsen en politici
Maar ook als we met het argument meegaan, blijft de vraag of dit moet betekenen dat het parlement in álle kwesties het laatste woord en de kiezer het nakijken heeft. De vergelijking met artsen is daarbij interessant. Als we iets mankeren gaan we inderdaad naar een deskundige, de arts, en we vertrouwen op zijn of haar kennis. Maar wie is nog happy met een arts die autoritair een behandeling voorschrijft? Krijgt een arts van zijn patiënt een onbeperkt mandaat? Een goede arts zal met zijn patiënt overleggen en de cruciale keuzes inzake een behandeling aan de patiënt voorleggen.
Met het argument van de arbeidsdeling hebben we stilletjes het principiële terrein al betreden. Omdat volksvertegenwoordigers zich full time op de politiek toeleggen zouden zij betere beslissingen nemen dan de burgers.
Dit aloude argument wordt echter niet alleen ontkracht door het gemiddeld steeds hogere opleidingsniveau van de burgers en hun (in de veertig jaar dat het stelselmatig wordt gemeten) toegenomen belangstelling voor de politiek. Want aan de andere kant mag in het bijzonder ten aanzien van Tweede Kamerleden inmiddels de vraag worden gesteld of zij met hun gemiddeld steeds jongere leeftijd en hogere doorlooptijd - een Kamerlid met acht jaar ervaring wordt in menig partij al als 'oud' en dus afgeschreven weggekeken - nog wel over zoveel extra kennis beschikken. In ieder geval heeft het gemiddelde Tweede Kamerlid minder levenservaring dan de doorsnee kiesgerechtigde burger.
De CDA-woordvoerster in de Eerste Kamer sprak de vrees uit dat kiezers in een referendum niet over het wetsvoorstel zelf zullen oordelen, maar 'feitelijk voor of tegen het gehele kabinetsbeleid' zouden gaan stemmen. Haar VVD-collega roemde het 'vertrouwen dat de gekozene zelf besluiten kan en durft te nemen'.
Oneigenlijk stemgedrag
Nu laten de leden van de Eerste Kamer zich gelukkig inderdaad nog geregeld leiden door hun zelfstandig oordeel, maar in de Tweede Kamer is daar door steeds strakkere fractiediscipline nog maar weinig van over. Politici van zogenaamde 'regeringspartijen' stemmen vaak hoe dan ook met alles in dat uit de koker van 'hun' kabinet komt en daartegenover verwerpen fractieleden van 'oppositiepartijen' dat allemaal, tenzij zij hun aanvoerder zich er na een koehandel aan heeft gecommitteerd. Oneigenlijk stemgedrag lijkt al met al een gevaar dat tegenwoordig meer van beroepspolitici dan van burgers is te duchten.
Een overmaat aan referenda zou kiezers algauw referendum-moe maken. Dat zou de democratie geen goed doen. Maar als een middel om af en toe in meer fundamentele kwesties - waaronder bovenal grondwetswijzigingen en verdragen met constitutionele strekking - na te gaan of de 'volksvertegenwoordiging' het volk inderdaad goed heeft vertegenwoordigd, kan een correctief referendum ons stelsel democratischer maken. Indien volksvertegenwoordigers hun werk goed doen zouden zij het referendum niet hoeven te vrezen.
Patrick van Schie is historicus en directeur van de Teldersstichting, het onafhankelijk wetenschappelijk bureau ten behoeve van het liberalisme gelieerd aan de VVD. Hij schrijft deze column op persoonlijke titel.
Maar ook als we met het argument meegaan, blijft de vraag of dit moet betekenen dat het parlement in álle kwesties het laatste woord en de kiezer het nakijken heeft. De vergelijking met artsen is daarbij interessant. Als we iets mankeren gaan we inderdaad naar een deskundige, de arts, en we vertrouwen op zijn of haar kennis. Maar wie is nog happy met een arts die autoritair een behandeling voorschrijft? Krijgt een arts van zijn patiënt een onbeperkt mandaat? Een goede arts zal met zijn patiënt overleggen en de cruciale keuzes inzake een behandeling aan de patiënt voorleggen.
Met het argument van de arbeidsdeling hebben we stilletjes het principiële terrein al betreden. Omdat volksvertegenwoordigers zich full time op de politiek toeleggen zouden zij betere beslissingen nemen dan de burgers.
Dit aloude argument wordt echter niet alleen ontkracht door het gemiddeld steeds hogere opleidingsniveau van de burgers en hun (in de veertig jaar dat het stelselmatig wordt gemeten) toegenomen belangstelling voor de politiek. Want aan de andere kant mag in het bijzonder ten aanzien van Tweede Kamerleden inmiddels de vraag worden gesteld of zij met hun gemiddeld steeds jongere leeftijd en hogere doorlooptijd - een Kamerlid met acht jaar ervaring wordt in menig partij al als 'oud' en dus afgeschreven weggekeken - nog wel over zoveel extra kennis beschikken. In ieder geval heeft het gemiddelde Tweede Kamerlid minder levenservaring dan de doorsnee kiesgerechtigde burger.
De CDA-woordvoerster in de Eerste Kamer sprak de vrees uit dat kiezers in een referendum niet over het wetsvoorstel zelf zullen oordelen, maar 'feitelijk voor of tegen het gehele kabinetsbeleid' zouden gaan stemmen. Haar VVD-collega roemde het 'vertrouwen dat de gekozene zelf besluiten kan en durft te nemen'.
Oneigenlijk stemgedrag
Nu laten de leden van de Eerste Kamer zich gelukkig inderdaad nog geregeld leiden door hun zelfstandig oordeel, maar in de Tweede Kamer is daar door steeds strakkere fractiediscipline nog maar weinig van over. Politici van zogenaamde 'regeringspartijen' stemmen vaak hoe dan ook met alles in dat uit de koker van 'hun' kabinet komt en daartegenover verwerpen fractieleden van 'oppositiepartijen' dat allemaal, tenzij zij hun aanvoerder zich er na een koehandel aan heeft gecommitteerd. Oneigenlijk stemgedrag lijkt al met al een gevaar dat tegenwoordig meer van beroepspolitici dan van burgers is te duchten.
Een overmaat aan referenda zou kiezers algauw referendum-moe maken. Dat zou de democratie geen goed doen. Maar als een middel om af en toe in meer fundamentele kwesties - waaronder bovenal grondwetswijzigingen en verdragen met constitutionele strekking - na te gaan of de 'volksvertegenwoordiging' het volk inderdaad goed heeft vertegenwoordigd, kan een correctief referendum ons stelsel democratischer maken. Indien volksvertegenwoordigers hun werk goed doen zouden zij het referendum niet hoeven te vrezen.
Patrick van Schie is historicus en directeur van de Teldersstichting, het onafhankelijk wetenschappelijk bureau ten behoeve van het liberalisme gelieerd aan de VVD. Hij schrijft deze column op persoonlijke titel.
Labels:
Democratie,
Referendum,
Vernieuwing Democratie
maandag 12 januari 2015
donderdag 27 november 2014
De Goede Overheid(s Partij): Deel-1 - 'Stofzuigen tussen satellieten' - BAS DEN HOND, Trouw
Er zijn nogal wat mensen die altijd vinden dat ze teveel belasting betalen (ook al betalen ze steeds minder en/of gewoon te weinig. Telegraaf-hoof-redacteur Jules Paradijs is er zo eentje, en met zijn krant sleept hij honderdduizenden dolende, goedgelovige (in Paradijs dan, natuurlijk HATEN ze alles wat maar een zweempje Links in zich heeft), en niet al te nadenkende, beperkt opgeleide lieden in zijn kielzog van Chocolade-letters vretende 'aanhangers' met zich mee...
Uitspraak van 'dikke Jules': "De overheid moet er voor zorgen dat de lantarens branden, en dat is het dan wel zo'n beetje..!" Over onbenul gesproken!
In deze serie artikelen die laten zien dat de wereld steeds ingewikkelder wordt, dat mensen in die wereld een goed functionerende Overheid nodig hebben, nee; dat zelfs de meeste bedrijven die Goede Overheid NODIG hebben!
Deel-1:
'Stofzuigen tussen satellieten'
BAS DEN HOND, Trouw,(18/01/14)
Stofzuigen tussen satellieten
BAS DEN HOND − 18/01/14, 00:00
Op grote hoogten zitten elektrisch geladen deeltjes gevangen in het magnetisch veld van de aarde. Ze verstoren de elektronica van satellieten of zandstralen de zonnepanelen die ze tegenkomen. Wetenschappers werken daarom aan een ruimtebezem.
BOSTON (VS) - Het klassieke voorbeeld dat economen geven om uit te leggen waarom een overheid soms best een goed idee is, is de vuurtoren. Ooit waren die van levensbelang voor de scheepvaart. Maar je kon geen bedrijf beginnen dat vuurtorens bouwde en exploiteerde: hoe had je moeten afdwingen dat een langsvarend schip, veilig dankzij die ronddraaiende lichtbundel, voor de dienst betaalde?
Nu vuurtorens monumenten zijn geworden van een verleden zonder GPS, wordt het tijd voor een nieuw voorbeeld. En je hoeft niet verder te zoeken dan het GPS-systeem zelf en de problemen die deze satellieten in hun baan ondervinden door een bombardement van snel bewegende elektrisch geladen deeltjes: elektronen en protonen. Als er een manier gevonden zou kunnen worden om hun omgeving schoon te vegen, zou je daar miljoenen mee kunnen besparen. Maar ook hier is het probleem: een satelliet-eigenaar die niet voor die dienst betaalt, profiteert er evengoed van.
In dit geval is er nog geen overheid wakker geworden die er geld in steekt. Maar in hoop op betere tijden wordt in laboratoria her en der in de wereld al jaren aan het idee gesleuteld. Door Reiner Friedel onder andere, van het Los Alamos National Laboratory in de VS. Hij behoort tot degenen die het idee levend houden van de 'ruimtebezem', die de stralingsgordels rond de aarde een milder klimaat moet geven.
Van pool tot pool
Er zijn twee van die Van Allengordels. De binnenste bevindt zich (bij de evenaar gemeten) op 1000 kilometer tot 6000 kilometer hoogte en bevat vooral zware protonen, de buitenste gaat van 13.000 tot soms wel 60.000 kilometer hoog en daar zijn het vooral elektronen die de schade veroorzaken.
De elektrisch geladen deeltjes zitten op die hoogten gevangen in het magnetisch veld van de aarde. Dat veld loopt overal rond de planeet in een grote boog van pool tot pool. Deeltjes die ongeveer in de richting van het veld bewegen, merken er niet zoveel van. Deeltjes die dwars op het veld bewegen, worden er voortdurend door afgebogen, zodat ze in cirkels bewegen en niet verder komen. De meeste deeltjes hebben een richting daartussenin en doen allebei: het resultaat is een spiraalvormige beweging naar een van de magnetische polen. Daar in de buurt gekomen, wordt het magnetisch veld sterker, de spiraalbeweging strakker en de snelheid kleiner, tot ze stilstaan en daarna terugkaatsen, naar de andere pool. Tenzij ze voor die tijd een satelliet tegenkomen en daarvan de elektronica storen, of de zonnepanelen helpen zandstralen.
Tot nu toe hebben de bouwers van satellieten twee opties om die schade te verkleinen: ze kunnen hun elektronica steviger uitvoeren en afschermen, wat geld kost en door het extra gewicht de lanceerkosten verhoogt. Of ze kunnen de satelliet een baan geven die misschien minder economisch is, maar de stralingsgordels grotendeels vermijdt. Helemaal lukt dat niet, omdat die gordels niet zo mooi cirkelvormig zijn als satellietbanen kunnen zijn. En sommige satellieten hebben banen nodig die verre van cirkelvormig zijn: die kunnen zowel de binnenste als de buitenste baan tegenkomen.
De Van Allengordels werden in 1958 ontdekt, door de Explorer 1 en de Explorer 3, de allereerste satellieten die de VS in een baan om de aarde brachten, kort nadat de Sovjet-Unie de primeur had gehad met haar Spoetniks. Sindsdien zijn er allerlei ideeën geopperd om de schadelijke deeltjes uit te schakelen. Het meest extreme was boven de aarde een atoombom te laten ontploffen. Dat zou de atmosfeer tijdelijk zo hoog opstuwen, dat zij tot in de Van Allengordels zou reiken, daar de deeltjes in hun vaart stuiten en ze daarmee verlossen van de houdgreep van het magnetisch veld.
De meest veelbelovende methode maakt ook gebruik van de atmosfeer, maar dan wat subtieler. Bij het heen en weer kaatsen langs het magnetisch veld van de aarde, komen sommige deeltjes zo dicht bij de polen dat ze in de buitenste lagen van de atmosfeer komen en op luchtmoleculen kunnen botsen.
Motregen van deeltjes
En dat proces kun je bevorderen, hebben Friedel en zijn collega's berekend. Als je een satelliet lanceert die radiogolven uitzendt van de goede frequentie, de frequentie waarmee een elektron of proton spiraliseert, dan kan die spiraalbeweging zo worden veranderd dat het deeltje dichter bij de aarde komt voor het terugkaatst en een grotere kans heeft om een luchtmolecuul te raken. Op die manier zal uit de stralingsgordels een gestage motregen van deeltjes vallen.
Dat dit kan werken, is geen vraag. Tussen de twee Van Allengordels zit een laag boven de aarde waar niets aan de hand is. Die is door de natuur schoongeveegd, doordat allerlei processen, waaronder bliksemflitsen op aarde, zorgen voor een voortdurende bestraling met radiogolven die de goede golflengte hebben om op die hoogte de deeltjes te laten verdwijnen.
Nadere berekeningen, onlangs nog door Maria de Soria-Santa Cruz van het Massachusetts Institute of Technology in het tijdschrift Geophysical Research Letters, wijzen uit dat die methode grote problemen kent als het om de protonen van de binnenste stralingsgordel gaat. Die zijn zwaar, dus heb je een radiozender met flink vermogen nodig om hun beweging te beïnvloeden. Maar door hun grote massa spiraliseren ze ook langzaam. De opdracht is dus om sterke radiogolven uit te zenden met een frequentie van slechts 4 KHz en dus een golflengte van een kleine honderd kilometer. Dat lijkt praktisch niet uitvoerbaar. Maar voor de elektronen in de buitenste stralingsgordel lijkt het wel goed te doen.
En het is de investering waard, zegt Friedel. Als je alleen al kijkt naar de verzameling GPS-satellieten die om de aarde draait: de vervangingskosten daarvan bedragen zo'n 3,75 miljard euro. Ze zijn ontworpen om het 15 jaar in de ruimte uit te houden. Als een ruimtebezem die periode met 2 jaar kan rekken, heb je dus al een slordige 500 miljoen euro verdiend. Ongeveer dat kost het, schat hij, om een ruimtebezem te bouwen en te lanceren. De besparing voor alle andere satellieten die daarboven voortaan minder door energierijke elektronen worden geteisterd, krijg je dan cadeau.
Ruimtelijke kernproef
En als dat al geen argument genoeg is, wil Friedel, werkzaam op het laboratorium waar de Amerikaanse atoombom werd ontwikkeld, er ook nog wel het argument van de nationale veiligheid tegenaan gooien. Want het is niet alleen de natuur die kan zorgen voor elektrisch geladen deeltjes rond de aarde.
In 1962 vond een beruchte Amerikaanse kernproef in de atmosfeer plaats, Starfish. Die zorgde voor een derde Van Allengordel van elektronen. De helft van de weinige satellieten die toen in een baan om de aarde draaiden, gaf de geest. Dat waren er nog niet zoveel - maar zo'n ontploffing nu, per ongeluk of als onderdeel van een oorlog of aanslag, zou een onafzienbare economische schade opleveren. Niet alleen zouden vele satellieten bezwijken, maar het zou jaren duren voor de reserve-exemplaren veilig konden worden gelanceerd.
Als verzekering daartegen zou je dus een ruimtebezem op post moeten hebben. Het zou een verzekering zijn die de aardbewoners niets kost, omdat hij zich bij het uitblijven van zo'n kernramp bezig kan houden met het schoonvegen van de natuurlijke stralingsgordels, en zichzelf zo ruim terugverdient. Betalen gaan we er natuurlijk voor op de enige manier die economen voor zo'n openbare dienst kunnen bedenken: met een ruimtebelasting.
Het geheim van de Van Allengordels
Hoewel ze al 55 jaar geleden ontdekt werden, bewaren de Van Allengordels nog steeds het geheim van de oorsprong van die snelle protonen en elektronen. Dat deeltjes gevangen worden in het magnetisch veld van de aarde wordt goed begrepen, maar hun energie is bijna onmogelijk groot: ze bewegen soms met wel 99 procent van de lichtsnelheid, de keiharde maximumsnelheid in deze wereld.
Waarnemingen door de Van Allen Probes, twee satellieten die momenteel de stralingsgordels doorkruisen, hebben een tipje van de sluier opgelicht. Ze worden ingezet om op hetzelfde moment de straling op twee plaatsen in een gordel te meten. Op 9 oktober zagen ze een aanzienlijke toename van het aantal elektronen met hoge energie in de buitenste gordel. En dat gebeurde niet overal in de gordel, maar op een heel specifieke hoogte.
Daarmee was de theorie weerlegd dat de elektronen overal in de gordel op dezelfde manier worden versneld, door een algemeen verspreid magnetisch effect. Kennelijk ontstaat er op sommige momenten een 'versneller' op die specifieke hoogte, een proces dat radiogolven voortbrengt van precies de goede frequentie om de elektronen op te jagen.
Die radiogolven worden weer voortgebracht door de beweging van andere geladen deeltjes in het magnetisch veld van de aarde. Maar hoe dat proces precies verloopt, moet nog worden uitgezocht.
maandag 24 maart 2014
Gekte w.b.t. Detailregelzucht: 'De leraar meten ondermijnt het vertrouwen'
De leraar meten ondermijnt het vertrouwen
Ingewikkelde enquêtes om de lessen te meten. En dan ranking the stars. Over het dagelijkse werk in de klas zegt het weinig, vindt Anita Brus.
Anita Brus | NRC 15-3-2014 | pagina 4 - 5
Een matig mavo-klantje”. Dat zei de onderwijzer tegen mijn moeder na afloop van de Tivo-test. Ik was twaalf en wist van niets. Was in alle opzichten nog vrijwel blanco. De test had ik in een roes van onzekerheid gemaakt. Oefenen deden wij in die tijd niet. We werden, in wat toen nog de zesde klas heette, op slag geconfronteerd met een test en ik wist niet wat mij overkwam. Ik maakte die test daarom slecht, ook al was ik altijd de beste van de klas geweest.
Tegenwoordig heet het de Cito-test en gaat het anders. Kinderen oefenen met tal van programma’s op internet en daar buiten en gaan zo goed voorbereid de test in. Intussen klagen onderwijzers steen en been over hun kasten, die uitpuilen van de toetsen. En jagen ouders op goeie resultaten.
Maar zijn de kinderen daarom beter? En wordt het onderwijs er beter van? Ik vraag het mij af. Wij leven echter in een tijd waarin men denkt alles te kunnen meten.
In het onderwijs heerst meetgekte.
Laatst kreeg ik een enquête onder de neus. Zo even had ik opgeschept over hoe goed het ging met mijn lessen. Toen zou men het mij wel eens even laten zien: veel regenwolken, geen enkel zonnetje en dat alles werd nog eens kracht bijgezet door tal van grafieken in alle kleuren van de regenboog.
Dit kon toch niet waar zijn? Ik ging voor mijn vak én voor mijn leerlingen. Als ik zo werd beoordeeld, moest er toch iets met die enquête mis zijn. Maar nee hoor, die enquête had zich al op diverse scholen bewezen, inclusief een ranking the stars, werd gezegd. Je kon er namelijk ook heel goed uit aflezen op welke plek je stond als docent. Ik bungelde ergens onderaan en ging huilend naar huis.
Een week later gingen meer collega’s huilend naar huis.
Was het ’t allemaal waard? Een jaar na mijn lagere school belandde ik op het vwo en was ik opnieuw de beste van de klas. En een jaar na deze ‘ranking the stars’ geef ik nog steeds met plezier les. Natuurlijk gaat het niet elke dag in elke klas geweldig, maar dat werd vroeger normaal gevonden.
Tegenwoordig denkt men dit echter door middel van enquêtes te moeten meten. Maar wat meet men dan eigenlijk? Er zijn zo veel factoren die een rol spelen bij hoe een les wordt ervaren door pubers die nog lang niet droog zijn achter de oren. Je zou er helemaal niet aan moeten beginnen om dat te willen meten via een regenboogenquête.
„Meten is weten”, zeggen de deskundigen, maar over mij weten de meters helemaal niets. Er is misschien wat informatie van horen zeggen en iemand heeft mij een keer gesproken zonder in mijn les te kijken. Maar dat hoeft ook niet, want er is een meting. Ik moet er bijna hard om lachen als dit ook niet zo triest was, want er zijn mensen onnodig de dupe van.
Ben ik ook een slachtoffer? Nee hoor! De ironie wil dat al dat gemeet voor mij misschien wel goed is. Ik ga er nog harder van rennen. Als kind al. Na die tyfus-Tivo-uitslag wilde ik alleen maar laten zien hoe goed ik was. Vond de leraar Frans mij slechts een zesje waard, dan ging ik alleen nog tienen halen. De aard van het beestje.
Maar je moet de tijd natuurlijk wel mee hebben. Toen was dat de tijd van Den Uyl en de middenschool. En ja, daar waren ook mislukkingen, maar ik kreeg als arbeiderskind wel alle kansen. Er waren nog geen toelatingseisen en cijfers waren niet alles bepalend. Daarom kon ik naar een scholengemeenschap die als eerste een brugklas had met drie niveaus, waardoor ik vlekkeloos door kon rollen naar het atheneum.
Over mij hoeft men zich dus geen zorgen te maken. Toch weet ik dat er door al het toetsen en testen onnodig slachtoffers vallen. En het vertrouwen is blijkbaar weg. Het vertrouwen in onderwijzers die kinderen al jarenlang in hun klas hebben, het vertrouwen in de leraar die toch behoorlijk geschoold voor de klas staat en er alles aan doet om zijn lessen goed te geven.
Maar ook het vertrouwen van de ouders en de maatschappij in de scholen is weg. Scholen, die tegenwoordig tot in het uiterste met elkaar moeten concurreren om het hoofd boven water te houden. Deze scholen moeten zich natuurlijk verantwoorden en gaan daarom mee in de meetcultuur.
Maar wat zegt dat nu over hun werkelijke kwaliteit? En wat zei de Tivo-test over mijn niveau? Men mag het voor mij invullen, maar ikzelf weet wel beter. En ik hoop een heleboel anderen ook.
Anita Brus is docent Spaans/beeldende vorming.
Abonneren op:
Posts (Atom)
