dinsdag 11 april 2017

Opkomstplicht is zo gek nog niet

Opkomstplicht is zo gek nog niet

HOME
Anton Jumelet 
In de Maand van de Filosofie schrijven Groningse studenten over vrijheid. Vandaag: Nederland kent al veertig jaar geen opkomstplicht meer bij verkiezingen. Anton Jumelet betoogt dat zo’n plicht noodzakelijk is voor het behoud van de democratie.
De opkomst bij de Nederlandse verkiezingen van de afgelopen drie jaar was weinig hoopgevend: bij de gemeenteraadsverkiezingen 54 procent, bij de verkiezingen voor het Europese Parlement 37 procent, en bij de waterschapsverkiezingen slechts 24 procent.
Dan België! Voor Europese, landelijke of regionale verkiezingen ligt de opkomst bij onze zuiderburen doorgaans boven de 90 procent.
De belangrijkste verklaring voor dit contrast is dat er in België een opkomstplicht geldt. Een opkomstplicht is niet hetzelfde als een stemplicht. In België word je geacht je op een stembureau te melden. Maar er wordt niet gecontroleerd of je een geldige en niet-blanco stem uitbrengt. Je hoeft het biljet niet eens in de stembus te gooien.
Ik wil verdedigen dat de invoering van de opkomstplicht in Nederland een grote stimulans voor onze democratie zou zijn.
Centraal in de parlementaire democratie staat het idee van evenredige vertegenwoordiging. In de politiek dient elke maatschappelijke groep naar verhouding gerepresenteerd te worden. Besluiten worden bij meerderheid genomen, maar elke minderheid moet ten minste een stem kunnen hebben.
Als een aanzienlijk deel van de bevolking zich niet laat representeren, kan dat leiden tot een structurele benadeling en vrijheidsbeperking van bepaalde minderheden. In Nederland zijn dit bijvoorbeeld jongeren, minderbedeelden en lageropgeleiden. Als minder dan 50 procent van de stemgerechtigden komt opdagen, dreigen de meerderheidsbesluiten hun legitimiteit al helemaal te verliezen.
Een democratie is er dus bij gebaat dat politici namens zoveel mogelijk mensen en groepen spreken. Daarom moeten de burgers niet alleen de mogelijkheid hebben om te komen stemmen, maar moeten er ook daadwerkelijk zoveel mogelijk stemmen worden uitgebracht. Diverse wetenschappelijke studies laten zien dat een opkomstplicht hier fors aan bijdraagt.
Een vaak gehoord bezwaar tegen de opkomstplicht is dat een democratie haar burgers ook de vrijheid hoort te geven om niet te stemmen. De opkomstplicht zou een schandalige schending van deze vrijheid zijn, zo beweert men.
Dit vrijheidsargument lijkt aantrekkelijk, maar er zitten enkele haken en ogen aan.
Ten eerste blijft het recht om niet te stemmen behouden, want de
kiezer heeft slechts de plicht zich
te melden bij een stembureau,
niet om daadwerkelijk een stem
uit te brengen. In België zijn ongeldige of blanco stemmen dan ook talrijker dan in Nederland, al staat dat aantal in geen verhouding tot het aantal absente kiezers in ons land.
Ten tweede valt te betwijfelen of
we alle verantwoordelijkheid om
al dan niet naar de stembus te
gaan wel bij de burger zelf moeten leggen. Zij hebben namelijk goede redenen om het stembureau links te laten liggen. Hoe groot is nu de kans dat net jouw stem doorslaggevend is? Eén stem maakt praktisch geen verschil voor de einduitslag. Voor elke individuele burger is
wegblijven dus een nuttige besparing van tijd, energie en geld. Maar door de opkomstplicht in te voeren geeft de overheid elk individu alsnog een stimulans om te gaan stemmen. Wegblijvers krijgen een kleine boete.
Ten derde kent een democratie sowieso weinig absolute vrijheden. Een overheid kan besluiten de vrijheid van haar burgers in meer of mindere mate te beperken. Als hier goede redenen voor zijn, is dit ook volledig terecht. Denk aan verkeersregels, verplichte geboorteregistratie of leerplicht.
Het tegengaan van de leegloop van onze democratie is precies een reden om een kleine vrijheidsbeperking in te voeren. Zeker omdat het juist de democratische staatsvorm is die zijn burgers veel rechten en vrijheden verschaft. Het inleveren van een klein beetje vrijheid omwille van het behoud van meer vrijheden en kansen is dan niet onredelijk.
De opkomstplicht zal onze vrijheid beperken, net zoals verkeersregels dat doen. Maar net zoals verkeersregels hebben we die beperking hard nodig. Al is ze natuurlijk geen haarlemmerolie die alle gebreken van de huidige politiek laat verdwijnen, een impuls voor onze democratie zal de opkomstplicht zeker zijn. En het enige wat daarvoor nodig is, is wat eenvoudige Haagse bluf.

vrijdag 25 november 2016

De Kafkabrigade & Kijk op Democratie en Overheid in 20161124

C:\Users\gebruiker\Documents\1OPB\Politiek_De Kafkabrigade

EN

1Vandaag enquete over de Democratie

Er dreigt opstand, misschien zelfs revolutie. De politiek heeft nauwelijks nog gezag. Grote delen van de Overheid -zeker op bepaalde dossiers- wekt alleen nog frustratie en afkeer op. De kiezers vanveel meer dan 80 vd 150 zetels bij de vorige verkiezingen wilde of Rutte niet, of Samsom niet; dus kregen we ze alle twee. Dat wekt frustratie en woede. Je moet dus als kiezer niet alleen kunnen kiezen voor een partij en een programma, maar ook voor een coalitie. Daarnaast lopen heel veel zaken vast door dat de politieke macht, nu dus VVDenPvdA, maar eigenlijk ook CDA, D66, uit veelal opportunistische, electorale overwegingen gedrag vertonen dat schandalig is, min of meer corrupt, maar iig onder het kopje spelletjes gevat kan worden. De zorg gaat voor een deel naar de kloten, het onderwijs, de politie, en de rechtsstaat werkt al in een behoorlijk % van de gevallen niet goed meer; er worden grote fouten gemaakt, maar ook bijvoorbeeld het verkeersboetebeleid van de overheis is verworden tot een gigantische, ongeacht wat er gebeurt, doormalende geld genererende machine; dat is fataal voor het rechtsgevoel, er gaat gigantisch veel geld, tijd, energie in zitten, en levert nauwelijks meer een bijdrage aan de verkeersveiligheid en de orde, maar ondermijnt alles, en is zuurstof voor het vuur dat Wilders heet.


Vertrouwen in politici:


Er zijn teveel populisten, er wordt poppenkast gespeeld, electorale overwegingen gaan meestal boven principes, en BELOFTEN MAKEN GEEN SCHULD! En dan hoef je maar 1x 'Sorry' te zeggen, en denk je 'GEWOON' weer door te kunnen.


‘Politici weten goed wat er leeft onder de mensen in het land.'

Deze en de vorige vraag zijn te algemeen; ik ben van de SP, en ik vind dat die partij wel veel doet om contact met de burger te maken; top-down, maar vooral ook bottom-up. Die partij weet zeker wat er leeft onder de burgers, maar wordt uit angst door de andere partijen buitengesloten... Maar Rutte? Echt NIET! Samsom? Als hij het weet, en dat zegt hij doorlopend, weet hij het, als het erom gaat goed te verbergen. Buma? Dacht het niet! Pechtold? Misschien deels -boek Henk en Ingrid-, maar dan wekt het toch de schijn van doekje voor het bloeden; zijn doel is duidelijk: Pechtold for President! Etc.



Waarom bent u teleurgesteld of ontevreden of is dit niet van toepassing? Hier kunt u uw antwoord toelichten.
Als u niets wilt invullen, kunt u dit tekstvak leeg laten.


Ik ben een WAO'er,
wilde dan maar als vrijwilliger bijdragen aan de samenleving; iets terug doen voor mijn uitkering,
maar de overheid is dermate onbetrouwbaar, soms zelfs aantoonbaar corrupt,
en de politiek verzint iedere keer zoveel onuitvoerbare shit,
dat je een steeds groter deel van je tijd bezig bent met het je verdedigen tegen die overheid, het voldoen aan belachelijke eisen waaraan je moet voldoen,
of tegen onoplosbare problemen aanloopt, en als je dan 'de Overheid'  wil bellen, loop je tegen hermetische muren van callcenters aan.




Het gaat slecht met NLD?

We waren een fantastisch land -maar dat was ook 'vroeger' al- deels op naïviteit gebaseerd; Nederland was bijvoorbeeld een stuk corrupter dan ik toen dacht, en dat geldt ook voor racisme en discriminatie, ongelijke kansen. Maar het echte punt -net als in de USA- is dat het voor grote groepen slechter ipv beter wordt, en dat de Democratie verzandt. Ik denk bijvoorbeeld dat een meerderheid van de mensen echt wel ziet dat Europa in ons belang is, maar niet als onze mp naar Europa gaat, er in veel meehuilt met de EU-wolven, en dan thuis de indruk wil wekken dat hij er alles aan gedaan heeft om Nederlandse belangen te verdedigen, en 'het ook niet eens te zijn' met de dingen waar hij net voor heeft gestemd. Hypocrisie, huichelachtigheid, en liegen, liegen, en spinnen, Spinnen, SPINNEN! Dat is Rutte...


Kinderen van nu in de toekomst slechter, gelijk of beter af?

Er is voor teveel mensen te weinig perspectief; alleen als je goed functioneert in de Ratrace...dan kan je juist er bovenuitsteken en zijn er gigantisch veel mogelijkheden

dinsdag 22 december 2015

DEMOCRATIE / SPANJE-NEDERLAND; Een Vergelijking 'Stroperigheid is een zegen voor Spanje', Ger Groot (Trouw.nl)

Stroperigheid is een zegen voor Spanje_Ger Groot − 21/12/15, 15:42 © afp. Pablo Iglesias (vooraan), partijleider van Podemos, viert de verkiezingsuitslagen. COLUMN De Spaanse protestpartij Podemos heeft het in de verkiezingen van afgelopen zondag beter gedaan dan verwacht. Met ruim 20 procent van de stemmen mag de partij zich de morele overwinnaar noemen. Maar dat betekent niet dat ze in Spanje de dienst gaat uitmaken, stelt Ger Groot. 'Versplinterd' kun je het politieke landschap niet noemen, maar de kaarten zijn wel radicaal anders geschud De Partido Popular is nog altijd de grootste politieke formatie, maar zal om te kunnen regeren een coalitie moeten sluiten met andere partijen. Of dat lukt, is zeer de vraag - en pas dan komt een linkse coalitie met Podemos weer in zicht. Of die er dan zal komen, is evenmin zeker. Of Podemos zich zal onthouden van capriolen die haar Griekse tegenhanger Syriza in het ongerede hebben gebracht, evenmin. Hervorming Toch zijn de voortekenen niet slecht. Hervorming van het Spaanse kiesstelsel is één van de prioriteiten waar Podemos haast mee wil maken, of de partij nu in de regering zit of niet. Dat is hoog tijd. Het huidige systeem bevoordeelt grote én plaatselijke partijen bovenmatig, en het platteland daar nog eens bovenop. Podemos kan daarover meepraten. Met maar anderhalve procentpunt verschil met de socialistische PSOE moest de partij zich tevreden stellen met 21 (van de 350) zetels minder. Grootste gedupeerde is Unidad popular, de Spaanse tegenhanger van Groen Links, die met ruim 3,5 procent van de stemmen niet meer dan 2 zetels binnenhaalde. Bij evenredige vertegenwoordiging zouden dat er 11 geweest zijn. Waar twee partijen afwisselend regeren, dreigt de politiek op den duur onvermijdelijk te ontsporen Spaanse puzzel Verstandige praat dus van Podemos, maar daarmee zou de Spaanse puzzel die zich momenteel aftekent niet zijn opgelost. 'Versplinterd' kun je het politieke landschap niet noemen, maar de kaarten zijn wel radicaal anders geschud. Vier in plaats van twee partijen zijn nu dominant. Voorlopig lijkt er een einde gekomen aan wat ten onrechte een 'tweepartijensysteem' genoemd wordt. Van een 'systeem' is - anders dan bij de bizarre omrekening van stemmen naar zetels - immers geen sprake. Eénpartijenstelsels bestaan hier en daar in de wereld nog, maar in geen enkele staat is vastgelegd dat politieke macht slechts aan twee partijen toekomt. Waar dat de facto het geval is, ligt dat niet aan het 'systeem' maar aan het kiezersgedrag. Spanje heeft laten zien hoe dat automatisme doorbroken kan worden. Dat is misschien wel het meest verheugende resultaat van deze verkiezingen. Waar twee partijen afwisselend regeren, dreigt de politiek op den duur onvermijdelijk te ontsporen. Het voordeel van de duidelijkheid wordt ruimschoots ondermijnd door het nadeel van de polarisatie - waaronder de Verenigde Staten zo langzamerhand een onbestuurbaar land geworden is. Spanje heeft de afgelopen decennia daarvoor de tol betaald van een verruwd politiek debat, met wederzijdse verkettering en belediging in plaats van argumenten en overtuigingskracht. Daardoor is de Spaanse politieke cultuur tot nu toe tamelijk onvolwassen gebleven, na de chaotische overgangsperiode van de jaren '70 en '80. Zo krijgt de uitdrukking 'verdeel en heers' een nieuwe betekenis, ontdaan van het cynisme waaraan ze is ontsprongen Gedwongen tot zakelijkheid Wie in zijn politieke tegenstanders altijd óók mogelijke coalitiepartners moet zien, matigt onvermijdelijk zijn toon en is gedwongen tot zakelijkheid. Maar een coalitie-'systeem' houdt ook de machtsbekleders op het rechte pad. Wie de zeggenschap moet delen met mensen van buiten de eigen kring, weet zich kritischer gevolgd en zal minder snel misbruik maken van zijn bevoegdheden. Hoe gemakkelijk politieke alleenheerschappij kan ontsporen, heeft de regerende Partido Popular de afgelopen jaren in Spanje tenenkrommend laten zien. Wie meent dat zoiets in Nederland niet voorkomt, juicht beter niet te vroeg. Ook de wantoestanden rond de 'Teeven-deal' hadden wellicht voorkomen kunnen worden wanneer het ministerie van justitie de afgelopen jaren niet in handen van één partij was geweest, zo schrijven de commentaren. Ook daar zou een scheiding der geesten goed zijn geweest voor een kritische blik. Verdeel en heers Zo krijgt de uitdrukking 'Verdeel en heers' een nieuwe betekenis, ontdaan van het cynisme waaraan ze is ontsprongen: over een verdeeld volk is gemakkelijk tirannie uit te oefenen. Maar wanneer het gezag zélf inwendig gespleten blijft, krijgt het zelfreinigend vermogen meer armslag en ligt bestuurlijke doordrijverij minder voor de hand. Daarvoor moet ongetwijfeld wel enige slagkracht worden ingeleverd. Over de Nederlandse politieke verdeeldheid, de eeuwige noodzaak van compromissen en de 'onbestuurbaarheid' van het land die sommigen al zien opdoemen, klinkt regelmatig een klaagzang op. Moet het aantal partijen in het parlement niet drastisch omlaag? - zo vraagt de één. Misschien wel tot twee partijen?- zo speculeert de ander nog driester. Laten we de zegeningen tellen van onze coalitie-cultuur. Een heilzamer politiek bestel is nauwelijks denkbaar, niet ondanks maar dankzij de zo vaak beschimpte Haagse stroperigheid. Spanje zal zich daarin nu goedschiks of kwaadschiks moeten bekwamen. Dat zal moeite kosten, zoals dat ook in Groot-Brittannië het geval was. Maar op den duur kan het de politieke rijpheid van het land alleen maar ten goede komen.

donderdag 1 oktober 2015

VERNIEUWING DEMOCRATIE / VOORBEELD / INDONESIË: Twitter Zet Indonesische Democratie op zijn Kop

Jakarta twitterhoofdstad van de wereld WOUTER VAN CLEEF − 25/08/15, originele artikel van Trouw Sociale media kans voor nieuwe generatie Indonesische politici. Partijkader is niet langer zaligmakend. De edele kunst van het 'nongkrong' (hangen, kletsen, WvC) beheersen Indonesiërs als geen ander. Koken, beroemdheden, familierelaties en files: het zijn onderwerpen waarover eindeloos wordt gepraat en geroddeld, liefst onder het genot van een kopje thee. De laatste jaren speelt het 'nongkrong' zich steeds minder af op straat en steeds vaker op sociale media. Sterker, nergens wordt meer getwitterd dan in de Indonesische hoofdstad. Verschillende onderzoeksbureaus riepen Jakarta zelfs uit tot 'Twitterhoofdstad van de wereld'. Dat eindeloze getweet gaat niet alleen over koetjes en kafljes, ook serieuze onderwerpen komen aan bod. Politiek bijvoorbeeld. Een jaar geleden boekte president Joko 'Jokowi' Widodo een verkiezingsoverwinning die deels te danken was aan de aandacht die hij kreeg op sociale media, vertellen Kartika Djoemadi en Hari Adhi. Als vrijwilligers van Jokowi's campagneteam tweetten en facebookten zij zich een slag in de rondte over hun politieke idool. "Voor de campagne zeiden veel mensen dat sociale media onbelangrijk waren, maar we hebben laten zien dat het een goedkope manier is om aandacht te krijgen", zegt Hari Adhi (31), die in het dagelijks leven als grafisch ontwerper werkt. Fabrikanten van 'spanduk' (spandoeken) doen altijd goede zaken in verkiezingstijd, maar nu de president ruim 3 miljoen volgers heeft en zijn tegenstander van vorig jaar Prabowo Subianto bijna 2 miljoen, is Twitter een populair én voordelig campagnemiddel. Iets minder dan de helft van alle Indonesiërs is jonger dan 40 jaar, een interessante doelgroep voor politici. Vorig jaar maakte Twitter bekend dat zo'n 20 miljoen Indonesiërs een account hebben, de meeste van hen in de grote steden, vertellen Kartika en Hari. Daar hebben meer mensen geld om een smartphone aan te schaffen dan op het platteland. Waarom twitteren Indonesiërs eigenlijk zoveel? "Vooral in Jakarta staan mensen ontzettend lang in de file. Om de tijd te doden sturen ze berichten via hun smartphone", weet Kartika Djoemadi (35). Maar Twitter is meer dan een manier om de tijd te doden en een groot publiek te bereiken. Sociale media kunnen de politiek in het land helpen veranderen, denken de twee sociale media experts. Een van de opvallendste trends de laatste jaren is de opkomst van ambitieuze, hervormingsgezinde politici in de grote Javaanse steden. In Bandung en Surabaya, respectievelijk de tweede en derde stad van het land, werden burgemeesters gekozen die naam maakten om hun praktische en soms harde aanpak, terwijl ze minder sterk gebonden zijn aan oude partijkaders. Tot voor kort was het praktisch ondenkbaar dat deze belangrijke posten bezet konden worden door kandidaten die zich niet eerst jarenlang opwerkten in een partijapparaat. Voor politici die niet gebonden zijn aan het establishment kunnen sociale media een belangrijk hulpmiddel zijn. Burgemeester Ridwan Kamil (43) van Bandung won twee jaar geleden de lokale verkiezingen mede door zijn twitterschare van inmiddels 1,2 miljoen volgers. Hoewel hij zich later aansloot bij de oppositionele Gerindra-partij, liet Kamil zien dat een partijkader niet langer de sleutel is tot een verkiezingsoverwinning. Voor deze buitenstaanders zijn sociale media extra belangrijk, vertellen Kartika en Hari. Veel Indonesische media zijn immers gelieerd aan grote partijen of tycoons, wat het voor buitenstaanders moeilijker maakt in de schijnwerpers te komen. "In grote steden waar veel mensen op sociale media zitten kunnen sociale media de democratie versterken, maar het effect verschilt sterk per regio", zegt Kartika Djoemadi. Die grote diversiteit tussen verschillende groepen in het land is ook bepalend voor de manier waarop sociale media in campagnes worden ingezet, legt Hari Adhi uit. Hij stuurde regionale steuncomités voor Jokowi's campagne aan. Voor verschillende etnische groepen liet Adhi specifiek toegesneden boodschappen verspreiden. "In west-Sumatra (een tamelijk conservatief-islamitisch gebied, red) werd getwijfeld of Jokowi wel echt moslim was. Ons comité daar meldde dat hij inderdaad islamiet was. Op andere plekken tweetten we in de lokale taal, dat slaat aan bij kiezers." Liever goede hashtag dan de straat op Net als in de Arabische wereld gebruiken ook kritische Indonesiërs het internet om hun ongenoegen te uiten. Begin juli werden massaal foto's gedeeld van een dienstauto van een generaal die tijdens een autoloze zondag met politie-escorte door het centrum van Jakarta reed. De boze reacties op sociale media over de arrogantie van de onbekend gebleven legerleider waren niet van de lucht. De grootste protestactie op sociale media tot nog toe vond eerder dit jaar plaats toen er haast een oorlog ontbrandde tussen de anti-corruptie commissie (KPK) en de landelijke politie. De KPK beschuldigde de kandidaat-politiechef van corruptie. Niet veel later arresteerde de politie een van de topcorruptiebestrijders. Bezorgde burgers, die met lede ogen toezagen hoe de reputatie en slagkracht van de corruptiewaakhond ervan langs kregen, gingen niet als vroeger massaal de straat op, maar lieten vooral op twitter - met de hashtag #SaveKPK - van zich horen.

maandag 29 juni 2015

Burgerforum EU

'Volkssoevereiniteit noopt tot referendum'

OPINIE De 40.000 handtekeningen voor het Burgerforum EU zijn binnen. Een referendum zal zand strooien in de raderen van het Europese integratieproces, schrijven Geerten Waling en Coos Huijsen. Maar: 'Elke politicus die soevereiniteit wil overdragen van de natie naar een nieuwe macht, is het aan de democratische traditie verplicht stil te staan bij het oordeel van de bevolking.'
 
Zo’n saamhorigheidsgevoel is op Europese schaal nog ver te zoeken, en wordt alleen maar onwaarschijnlijker naarmate de crisisconjunctuur de verschillende economieën verder uit elkaar speelt
De 40.000 handtekeningen voor het Burgerforum EU waren in enkele weken tijd geregeld. Niet zo vreemd: 64 procent van de Nederlanders wil een referendum over de Europese integratie, peilde Maurice de Hond. 

Nu het burger­initiatief een feit is, is de Tweede Kamer wettelijk verplicht het EU-referendum op de agenda zetten. Maar dat betekent nog niet dat het er ook komt. Het parlement is schuchter, de Democraten uit '66 voorop. 

Ongemakken
Een referendum zal, wat ook de vraag precies wordt, zand strooien in de raderen van het Europese integratieproces. Met alle economische en politieke ongemakken van dien. Dat maakt de soevereiniteit van de nationale bevolking tot een ongemakkelijk politiek onderwerp. Maar laat die soevereiniteit zich ongestraft ontkennen?

Het belangrijkste politieke niveau is nog altijd dat van de natiestaat. Zoals Mark Rutte, de belangrijkste functionaris van die natiestaat, recent nog bevestigde bij Pauw&Witteman: 'Wij zijn soeverein en autonoom.' Toch wordt, onder druk van ingrijpende crisismaatregelen, soevereiniteit overgeheveld van het nationale niveau naar een supranationale constellatie in Brussel. 

In roerige tijden voldoet het niet om bij het uitstippelen van politiek beleid te kijken naar het roerige heden of de onzekere toekomst. We zouden meer beroep moeten doen op de lange geschiedenis van economisch en sociaal succes, en ons afvragen welke tradities en instituties nog een actuele waarde bezitten, of sterker nog: een verplichting in zich meedragen. Dat is het geval bij de natie. 

Saamhorigheidsgevoel
Want een natie, zo stelde de Franse historicus Ernest Renan in zijn beroemde lezing Wat is een natie? (1882), bestaat alleen bij gratie van de vrije wil van haar bevolking. Die mensen moeten bij elkaar willen horen. 'Een natie is een ziel, een geestelijk beginsel. Twee dingen vormen deze ziel, dit geestelijke beginsel. Het ene is het gemeenschappelijk bezit van een rijke erfenis aan herinneringen; het andere is het tegenwoordige saamhorigheidsgevoel, de wens om samen te leven, om opnieuw waarde te geven aan de erfenis die men samen ontvangen heeft.'

Zo'n saamhorigheidsgevoel is op Europese schaal nog ver te zoeken, en wordt alleen maar onwaarschijnlijker naarmate de crisisconjunctuur de verschillende economieën verder uit  elkaar speelt. Op nationale schaal is zo'n gevoel sterker aanwezig en vormt het een prominent onderdeel van het diverse palet aan identiteiten waarover wij kunnen beschikken. 

Nu is een natie beslist niet heilig of eeuwig. Grensoverschrijdende problemen als milieu, bankentoezicht en migratie kunnen alleen door een sterk bondgenootschap worden aangepakt. Al die kleine en middelgrote Europese landen kunnen niet zonder elkaar, op een wereldtoneel dat steeds diffuser wordt. En ze hoeven ook niet zonder elkaar: al een halve eeuw lang is bewezen dat er voor intensieve samenwerking op het continent genoeg solidariteit bestaat.

Soevereiniteitsoverdracht
Maar dit neemt niet weg dat de vorm waarin de democratische rechtstaat zich sinds 1848 het best handhaaft nog altijd de natie is. Daarom moet bij verregaande soevereiniteitsoverdracht met twee factoren rekening worden gehouden: met de tastbare politieke kwestie van democratische legitimiteit; en met het emotionele aspect dat kleeft aan een natie. In Renans woorden: 'Aan nationaliteit zit een gevoelskant; zij is tegelijk ziel en lichaam; een Zollverein is geen vaderland.' 

Elke politicus die soevereiniteit wil overdragen van de natie naar een nieuwe macht, is het aan de democratische traditie verplicht stil te staan bij het oordeel van de bevolking aan wie de soevereiniteit wordt onttrokken. Daarom zou het, juist in de geest van Renan, wijs zijn een referendum te houden over de gevolgen van Europese integratie voor de natie: 'Als er twijfels opdoemen over haar grenzen, raadpleeg dan de bevolkingen in kwestie. Zij hebben als geen ander het recht daarover een mening te hebben.'

Coos Huijsen en Geerten Waling zijn historici. Van de auteurs verschijnt deze week een moderne vertaling van, en een inleiding en duiding bij de lezing Wat is een natie? van Ernest Renan (uitgeverij Elsevier). Naar aanleiding hiervan gaan Martin Bosma, René Cuperus en Yoeri Albrecht op dinsdag 12 maart (20.00 uur) met elkaar in debat in De Balie in Amsterdam.

donderdag 23 april 2015

Patrick van Schie: 'Een ware volksvertegenwoordiger vreest geen referendum' (trouw Opinie 14/04/14)

Met het referendum zou worden getornd aan de vertegenwoordigende democratie. Dit argument werd afgelopen dinsdag in de Eerste Kamer weer eens van stal gehaald om het middel van een referendum te bestrijden. Politici van zogenaamde 'regeringspartijen' stemmen vaak hoe dan ook met alles in dat uit de koker van 'hun' kabinet komt Het werpt de vraag op wat de kern is van onze democratie: de representatie of het zeker stellen dat inzichten van de burgers doorwerken in het staatsbestuur? Die vraag stellen is hem beantwoorden. Een voorkeur voor een vertegenwoordigende democratie boven een directe democratie kan op twee soorten argumenten berusten: praktische en principiële. Een vaak gehanteerd praktisch bezwaar is 'het digitale karakter van het referendum'. De CDA-woordvoerster in de Eerste Kamer schoof dit bezwaar vorige week naar voren. Kiezers kunnen bij een referendum slechts 'ja' of 'nee' zeggen, zij kunnen niet meer aan verbetering van een wet werken. Merkwaardig argument Uit de mond van een Eerste Kamerlid klinkt dit argument nogal merkwaardig. Ook de Eerste Kamer heeft immers (formeel) geen recht van amendement en kan na een debat een wetsvoorstel slechts aannemen of verwerpen. Zelfs in de Tweede Kamer komt het bij een stemming uiteindelijk toch aan op voor of tegen. Wat is dán het verschil met een referendum? Een ander praktisch argument is dat van de arbeidsdeling. Het werd ruim een week geleden door hoogleraar rechtsfilosofie Andreas Kinneging naar voren gebracht in het TV-programma 'Buitenhof'. De gemiddelde burger heeft niet de tijd, en meestal ook niet de belangstelling, die nodig is om alle wetsvoorstellen te bestuderen, te bediscussiëren en te beoordelen. Net zoals artsen zich specialiseren in medische zaken, zo specialiseren volksvertegenwoordigers zich in politieke zaken. Dit is een zeer legitiem argument om het leeuwendeel van de politieke kwesties door een parlement te laten behandelen, hoewel je het argument ook zou kunnen omdraaien: indien alle burgers zich telkens in de rijstebrij aan wetsvoorstellen zouden moeten verdiepen zet dat misschien een rem op de hoeveelheid wet- en regelgeving. In ieder geval heeft het gemiddelde Tweede Kamerlid minder levenservaring dan de doorsnee kiesgerechtigde burger Artsen en politici Maar ook als we met het argument meegaan, blijft de vraag of dit moet betekenen dat het parlement in álle kwesties het laatste woord en de kiezer het nakijken heeft. De vergelijking met artsen is daarbij interessant. Als we iets mankeren gaan we inderdaad naar een deskundige, de arts, en we vertrouwen op zijn of haar kennis. Maar wie is nog happy met een arts die autoritair een behandeling voorschrijft? Krijgt een arts van zijn patiënt een onbeperkt mandaat? Een goede arts zal met zijn patiënt overleggen en de cruciale keuzes inzake een behandeling aan de patiënt voorleggen. Met het argument van de arbeidsdeling hebben we stilletjes het principiële terrein al betreden. Omdat volksvertegenwoordigers zich full time op de politiek toeleggen zouden zij betere beslissingen nemen dan de burgers. Dit aloude argument wordt echter niet alleen ontkracht door het gemiddeld steeds hogere opleidingsniveau van de burgers en hun (in de veertig jaar dat het stelselmatig wordt gemeten) toegenomen belangstelling voor de politiek. Want aan de andere kant mag in het bijzonder ten aanzien van Tweede Kamerleden inmiddels de vraag worden gesteld of zij met hun gemiddeld steeds jongere leeftijd en hogere doorlooptijd - een Kamerlid met acht jaar ervaring wordt in menig partij al als 'oud' en dus afgeschreven weggekeken - nog wel over zoveel extra kennis beschikken. In ieder geval heeft het gemiddelde Tweede Kamerlid minder levenservaring dan de doorsnee kiesgerechtigde burger. De CDA-woordvoerster in de Eerste Kamer sprak de vrees uit dat kiezers in een referendum niet over het wetsvoorstel zelf zullen oordelen, maar 'feitelijk voor of tegen het gehele kabinetsbeleid' zouden gaan stemmen. Haar VVD-collega roemde het 'vertrouwen dat de gekozene zelf besluiten kan en durft te nemen'. Oneigenlijk stemgedrag Nu laten de leden van de Eerste Kamer zich gelukkig inderdaad nog geregeld leiden door hun zelfstandig oordeel, maar in de Tweede Kamer is daar door steeds strakkere fractiediscipline nog maar weinig van over. Politici van zogenaamde 'regeringspartijen' stemmen vaak hoe dan ook met alles in dat uit de koker van 'hun' kabinet komt en daartegenover verwerpen fractieleden van 'oppositiepartijen' dat allemaal, tenzij zij hun aanvoerder zich er na een koehandel aan heeft gecommitteerd. Oneigenlijk stemgedrag lijkt al met al een gevaar dat tegenwoordig meer van beroepspolitici dan van burgers is te duchten. Een overmaat aan referenda zou kiezers algauw referendum-moe maken. Dat zou de democratie geen goed doen. Maar als een middel om af en toe in meer fundamentele kwesties - waaronder bovenal grondwetswijzigingen en verdragen met constitutionele strekking - na te gaan of de 'volksvertegenwoordiging' het volk inderdaad goed heeft vertegenwoordigd, kan een correctief referendum ons stelsel democratischer maken. Indien volksvertegenwoordigers hun werk goed doen zouden zij het referendum niet hoeven te vrezen. Patrick van Schie is historicus en directeur van de Teldersstichting, het onafhankelijk wetenschappelijk bureau ten behoeve van het liberalisme gelieerd aan de VVD. Hij schrijft deze column op persoonlijke titel.

woensdag 22 april 2015

Trouw - van Schie / Opinie: De Ware Politicus vreest geen Referendum


Een ware volksvertegenwoordiger vreest geen referendum


Patrick van Schie − 14/04/14, 14:30
© anp.
Met het referendum zou worden getornd aan de vertegenwoordigende democratie. Dit argument werd afgelopen dinsdag in de Eerste Kamer weer eens van stal gehaald om het middel van een referendum te bestrijden.
  •  
    Politici van zogenaamde 'regeringspartijen' stemmen vaak hoe dan ook met alles in dat uit de koker van 'hun' kabinet komt
Het werpt de vraag op wat de kern is van onze democratie: de representatie of het zeker stellen dat inzichten van de burgers doorwerken in het staatsbestuur? Die vraag stellen is hem beantwoorden.

Een voorkeur voor een vertegenwoordigende democratie boven een directe democratie kan op twee soorten argumenten berusten: praktische en principiële. Een vaak gehanteerd praktisch bezwaar is 'het digitale karakter van het referendum'. De CDA-woordvoerster in de Eerste Kamer schoof dit bezwaar vorige week naar voren. Kiezers kunnen bij een referendum slechts 'ja' of 'nee' zeggen, zij kunnen niet meer aan verbetering van een wet werken.

Merkwaardig argument
Uit de mond van een Eerste Kamerlid klinkt dit argument nogal merkwaardig. Ook de Eerste Kamer heeft immers (formeel) geen recht van amendement en kan na een debat een wetsvoorstel slechts aannemen of verwerpen. Zelfs in de Tweede Kamer komt het bij een stemming uiteindelijk toch aan op voor of tegen. Wat is dán het verschil met een referendum?

Een ander praktisch argument is dat van de arbeidsdeling. Het werd ruim een week geleden door hoogleraar rechtsfilosofie Andreas Kinneging naar voren gebracht in het TV-programma 'Buitenhof'. De gemiddelde burger heeft niet de tijd, en meestal ook niet de belangstelling, die nodig is om alle wetsvoorstellen te bestuderen, te bediscussiëren en te beoordelen. Net zoals artsen zich specialiseren in medische zaken, zo specialiseren volksvertegenwoordigers zich in politieke zaken.

Dit is een zeer legitiem argument om het leeuwendeel van de politieke kwesties door een parlement te laten behandelen, hoewel je het argument ook zou kunnen omdraaien: indien alle burgers zich telkens in de rijstebrij aan wetsvoorstellen zouden moeten verdiepen zet dat misschien een rem op de hoeveelheid wet- en regelgeving.
  •  
    In ieder geval heeft het gemiddelde Tweede Kamerlid minder levenservaring dan de doorsnee kiesgerechtigde burger
Artsen en politici
Maar ook als we met het argument meegaan, blijft de vraag of dit moet betekenen dat het parlement in álle kwesties het laatste woord en de kiezer het nakijken heeft. De vergelijking met artsen is daarbij interessant. Als we iets mankeren gaan we inderdaad naar een deskundige, de arts, en we vertrouwen op zijn of haar kennis. Maar wie is nog happy met een arts die autoritair een behandeling voorschrijft? Krijgt een arts van zijn patiënt een onbeperkt mandaat? Een goede arts zal met zijn patiënt overleggen en de cruciale keuzes inzake een behandeling aan de patiënt voorleggen.

Met het argument van de arbeidsdeling hebben we stilletjes het principiële terrein al betreden. Omdat volksvertegenwoordigers zich full time op de politiek toeleggen zouden zij betere beslissingen nemen dan de burgers.

Dit aloude argument wordt echter niet alleen ontkracht door het gemiddeld steeds hogere opleidingsniveau van de burgers en hun (in de veertig jaar dat het stelselmatig wordt gemeten) toegenomen belangstelling voor de politiek. Want aan de andere kant mag in het bijzonder ten aanzien van Tweede Kamerleden inmiddels de vraag worden gesteld of zij met hun gemiddeld steeds jongere leeftijd en hogere doorlooptijd - een Kamerlid met acht jaar ervaring wordt in menig partij al als 'oud' en dus afgeschreven weggekeken - nog wel over zoveel extra kennis beschikken. In ieder geval heeft het gemiddelde Tweede Kamerlid minder levenservaring dan de doorsnee kiesgerechtigde burger.

De CDA-woordvoerster in de Eerste Kamer sprak de vrees uit dat kiezers in een referendum niet over het wetsvoorstel zelf zullen oordelen, maar 'feitelijk voor of tegen het gehele kabinetsbeleid' zouden gaan stemmen. Haar VVD-collega roemde het 'vertrouwen dat de gekozene zelf besluiten kan en durft te nemen'.

Oneigenlijk stemgedrag
Nu laten de leden van de Eerste Kamer zich gelukkig inderdaad nog geregeld leiden door hun zelfstandig oordeel, maar in de Tweede Kamer is daar door steeds strakkere fractiediscipline nog maar weinig van over. Politici van zogenaamde 'regeringspartijen' stemmen vaak hoe dan ook met alles in dat uit de koker van 'hun' kabinet komt en daartegenover verwerpen fractieleden van 'oppositiepartijen' dat allemaal, tenzij zij hun aanvoerder zich er na een koehandel aan heeft gecommitteerd. Oneigenlijk stemgedrag lijkt al met al een gevaar dat tegenwoordig meer van beroepspolitici dan van burgers is te duchten.

Een overmaat aan referenda zou kiezers algauw referendum-moe maken. Dat zou de democratie geen goed doen. Maar als een middel om af en toe in meer fundamentele kwesties - waaronder bovenal grondwetswijzigingen en verdragen met constitutionele strekking - na te gaan of de 'volksvertegenwoordiging' het volk inderdaad goed heeft vertegenwoordigd, kan een correctief referendum ons stelsel democratischer maken. Indien volksvertegenwoordigers hun werk goed doen zouden zij het referendum niet hoeven te vrezen.  

Patrick van Schie is historicus en directeur van de Teldersstichting, het onafhankelijk wetenschappelijk bureau ten behoeve van het liberalisme gelieerd aan de VVD. Hij schrijft deze column op persoonlijke titel.

donderdag 27 november 2014

De Goede Overheid(s Partij): Deel-1 - 'Stofzuigen tussen satellieten' - BAS DEN HOND, Trouw

Er zijn nogal wat mensen die altijd vinden dat ze teveel belasting betalen (ook al betalen ze steeds minder en/of gewoon te weinig. Telegraaf-hoof-redacteur Jules Paradijs is er zo eentje, en met zijn krant sleept hij honderdduizenden dolende, goedgelovige (in Paradijs dan, natuurlijk HATEN ze alles wat maar een zweempje Links in zich heeft), en niet al te nadenkende, beperkt opgeleide lieden in zijn kielzog van Chocolade-letters vretende 'aanhangers' met zich mee... Uitspraak van 'dikke Jules': "De overheid moet er voor zorgen dat de lantarens branden, en dat is het dan wel zo'n beetje..!" Over onbenul gesproken! In deze serie artikelen die laten zien dat de wereld steeds ingewikkelder wordt, dat mensen in die wereld een goed functionerende Overheid nodig hebben, nee; dat zelfs de meeste bedrijven die Goede Overheid NODIG hebben! Deel-1: 'Stofzuigen tussen satellieten' BAS DEN HOND, Trouw,(18/01/14) Stofzuigen tussen satellieten BAS DEN HOND − 18/01/14, 00:00 Op grote hoogten zitten elektrisch geladen deeltjes gevangen in het magnetisch veld van de aarde. Ze verstoren de elektronica van satellieten of zandstralen de zonnepanelen die ze tegenkomen. Wetenschappers werken daarom aan een ruimtebezem. BOSTON (VS) - Het klassieke voorbeeld dat economen geven om uit te leggen waarom een overheid soms best een goed idee is, is de vuurtoren. Ooit waren die van levensbelang voor de scheepvaart. Maar je kon geen bedrijf beginnen dat vuurtorens bouwde en exploiteerde: hoe had je moeten afdwingen dat een langsvarend schip, veilig dankzij die ronddraaiende lichtbundel, voor de dienst betaalde? Nu vuurtorens monumenten zijn geworden van een verleden zonder GPS, wordt het tijd voor een nieuw voorbeeld. En je hoeft niet verder te zoeken dan het GPS-systeem zelf en de problemen die deze satellieten in hun baan ondervinden door een bombardement van snel bewegende elektrisch geladen deeltjes: elektronen en protonen. Als er een manier gevonden zou kunnen worden om hun omgeving schoon te vegen, zou je daar miljoenen mee kunnen besparen. Maar ook hier is het probleem: een satelliet-eigenaar die niet voor die dienst betaalt, profiteert er evengoed van. In dit geval is er nog geen overheid wakker geworden die er geld in steekt. Maar in hoop op betere tijden wordt in laboratoria her en der in de wereld al jaren aan het idee gesleuteld. Door Reiner Friedel onder andere, van het Los Alamos National Laboratory in de VS. Hij behoort tot degenen die het idee levend houden van de 'ruimtebezem', die de stralingsgordels rond de aarde een milder klimaat moet geven. Van pool tot pool Er zijn twee van die Van Allengordels. De binnenste bevindt zich (bij de evenaar gemeten) op 1000 kilometer tot 6000 kilometer hoogte en bevat vooral zware protonen, de buitenste gaat van 13.000 tot soms wel 60.000 kilometer hoog en daar zijn het vooral elektronen die de schade veroorzaken. De elektrisch geladen deeltjes zitten op die hoogten gevangen in het magnetisch veld van de aarde. Dat veld loopt overal rond de planeet in een grote boog van pool tot pool. Deeltjes die ongeveer in de richting van het veld bewegen, merken er niet zoveel van. Deeltjes die dwars op het veld bewegen, worden er voortdurend door afgebogen, zodat ze in cirkels bewegen en niet verder komen. De meeste deeltjes hebben een richting daartussenin en doen allebei: het resultaat is een spiraalvormige beweging naar een van de magnetische polen. Daar in de buurt gekomen, wordt het magnetisch veld sterker, de spiraalbeweging strakker en de snelheid kleiner, tot ze stilstaan en daarna terugkaatsen, naar de andere pool. Tenzij ze voor die tijd een satelliet tegenkomen en daarvan de elektronica storen, of de zonnepanelen helpen zandstralen. Tot nu toe hebben de bouwers van satellieten twee opties om die schade te verkleinen: ze kunnen hun elektronica steviger uitvoeren en afschermen, wat geld kost en door het extra gewicht de lanceerkosten verhoogt. Of ze kunnen de satelliet een baan geven die misschien minder economisch is, maar de stralingsgordels grotendeels vermijdt. Helemaal lukt dat niet, omdat die gordels niet zo mooi cirkelvormig zijn als satellietbanen kunnen zijn. En sommige satellieten hebben banen nodig die verre van cirkelvormig zijn: die kunnen zowel de binnenste als de buitenste baan tegenkomen. De Van Allengordels werden in 1958 ontdekt, door de Explorer 1 en de Explorer 3, de allereerste satellieten die de VS in een baan om de aarde brachten, kort nadat de Sovjet-Unie de primeur had gehad met haar Spoetniks. Sindsdien zijn er allerlei ideeën geopperd om de schadelijke deeltjes uit te schakelen. Het meest extreme was boven de aarde een atoombom te laten ontploffen. Dat zou de atmosfeer tijdelijk zo hoog opstuwen, dat zij tot in de Van Allengordels zou reiken, daar de deeltjes in hun vaart stuiten en ze daarmee verlossen van de houdgreep van het magnetisch veld. De meest veelbelovende methode maakt ook gebruik van de atmosfeer, maar dan wat subtieler. Bij het heen en weer kaatsen langs het magnetisch veld van de aarde, komen sommige deeltjes zo dicht bij de polen dat ze in de buitenste lagen van de atmosfeer komen en op luchtmoleculen kunnen botsen. Motregen van deeltjes En dat proces kun je bevorderen, hebben Friedel en zijn collega's berekend. Als je een satelliet lanceert die radiogolven uitzendt van de goede frequentie, de frequentie waarmee een elektron of proton spiraliseert, dan kan die spiraalbeweging zo worden veranderd dat het deeltje dichter bij de aarde komt voor het terugkaatst en een grotere kans heeft om een luchtmolecuul te raken. Op die manier zal uit de stralingsgordels een gestage motregen van deeltjes vallen. Dat dit kan werken, is geen vraag. Tussen de twee Van Allengordels zit een laag boven de aarde waar niets aan de hand is. Die is door de natuur schoongeveegd, doordat allerlei processen, waaronder bliksemflitsen op aarde, zorgen voor een voortdurende bestraling met radiogolven die de goede golflengte hebben om op die hoogte de deeltjes te laten verdwijnen. Nadere berekeningen, onlangs nog door Maria de Soria-Santa Cruz van het Massachusetts Institute of Technology in het tijdschrift Geophysical Research Letters, wijzen uit dat die methode grote problemen kent als het om de protonen van de binnenste stralingsgordel gaat. Die zijn zwaar, dus heb je een radiozender met flink vermogen nodig om hun beweging te beïnvloeden. Maar door hun grote massa spiraliseren ze ook langzaam. De opdracht is dus om sterke radiogolven uit te zenden met een frequentie van slechts 4 KHz en dus een golflengte van een kleine honderd kilometer. Dat lijkt praktisch niet uitvoerbaar. Maar voor de elektronen in de buitenste stralingsgordel lijkt het wel goed te doen. En het is de investering waard, zegt Friedel. Als je alleen al kijkt naar de verzameling GPS-satellieten die om de aarde draait: de vervangingskosten daarvan bedragen zo'n 3,75 miljard euro. Ze zijn ontworpen om het 15 jaar in de ruimte uit te houden. Als een ruimtebezem die periode met 2 jaar kan rekken, heb je dus al een slordige 500 miljoen euro verdiend. Ongeveer dat kost het, schat hij, om een ruimtebezem te bouwen en te lanceren. De besparing voor alle andere satellieten die daarboven voortaan minder door energierijke elektronen worden geteisterd, krijg je dan cadeau. Ruimtelijke kernproef En als dat al geen argument genoeg is, wil Friedel, werkzaam op het laboratorium waar de Amerikaanse atoombom werd ontwikkeld, er ook nog wel het argument van de nationale veiligheid tegenaan gooien. Want het is niet alleen de natuur die kan zorgen voor elektrisch geladen deeltjes rond de aarde. In 1962 vond een beruchte Amerikaanse kernproef in de atmosfeer plaats, Starfish. Die zorgde voor een derde Van Allengordel van elektronen. De helft van de weinige satellieten die toen in een baan om de aarde draaiden, gaf de geest. Dat waren er nog niet zoveel - maar zo'n ontploffing nu, per ongeluk of als onderdeel van een oorlog of aanslag, zou een onafzienbare economische schade opleveren. Niet alleen zouden vele satellieten bezwijken, maar het zou jaren duren voor de reserve-exemplaren veilig konden worden gelanceerd. Als verzekering daartegen zou je dus een ruimtebezem op post moeten hebben. Het zou een verzekering zijn die de aardbewoners niets kost, omdat hij zich bij het uitblijven van zo'n kernramp bezig kan houden met het schoonvegen van de natuurlijke stralingsgordels, en zichzelf zo ruim terugverdient. Betalen gaan we er natuurlijk voor op de enige manier die economen voor zo'n openbare dienst kunnen bedenken: met een ruimtebelasting. Het geheim van de Van Allengordels Hoewel ze al 55 jaar geleden ontdekt werden, bewaren de Van Allengordels nog steeds het geheim van de oorsprong van die snelle protonen en elektronen. Dat deeltjes gevangen worden in het magnetisch veld van de aarde wordt goed begrepen, maar hun energie is bijna onmogelijk groot: ze bewegen soms met wel 99 procent van de lichtsnelheid, de keiharde maximumsnelheid in deze wereld. Waarnemingen door de Van Allen Probes, twee satellieten die momenteel de stralingsgordels doorkruisen, hebben een tipje van de sluier opgelicht. Ze worden ingezet om op hetzelfde moment de straling op twee plaatsen in een gordel te meten. Op 9 oktober zagen ze een aanzienlijke toename van het aantal elektronen met hoge energie in de buitenste gordel. En dat gebeurde niet overal in de gordel, maar op een heel specifieke hoogte. Daarmee was de theorie weerlegd dat de elektronen overal in de gordel op dezelfde manier worden versneld, door een algemeen verspreid magnetisch effect. Kennelijk ontstaat er op sommige momenten een 'versneller' op die specifieke hoogte, een proces dat radiogolven voortbrengt van precies de goede frequentie om de elektronen op te jagen. Die radiogolven worden weer voortgebracht door de beweging van andere geladen deeltjes in het magnetisch veld van de aarde. Maar hoe dat proces precies verloopt, moet nog worden uitgezocht.

maandag 24 maart 2014

Gekte w.b.t. Detailregelzucht: 'De leraar meten ondermijnt het vertrouwen'

De leraar meten ondermijnt het vertrouwen Ingewikkelde enquêtes om de lessen te meten. En dan ranking the stars. Over het dagelijkse werk in de klas zegt het weinig, vindt Anita Brus.
Anita Brus | NRC 15-3-2014 | pagina 4 - 5 Een matig mavo-klantje”. Dat zei de onderwijzer tegen mijn moeder na afloop van de Tivo-test. Ik was twaalf en wist van niets. Was in alle opzichten nog vrijwel blanco. De test had ik in een roes van onzekerheid gemaakt. Oefenen deden wij in die tijd niet. We werden, in wat toen nog de zesde klas heette, op slag geconfronteerd met een test en ik wist niet wat mij overkwam. Ik maakte die test daarom slecht, ook al was ik altijd de beste van de klas geweest. Tegenwoordig heet het de Cito-test en gaat het anders. Kinderen oefenen met tal van programma’s op internet en daar buiten en gaan zo goed voorbereid de test in. Intussen klagen onderwijzers steen en been over hun kasten, die uitpuilen van de toetsen. En jagen ouders op goeie resultaten. Maar zijn de kinderen daarom beter? En wordt het onderwijs er beter van? Ik vraag het mij af. Wij leven echter in een tijd waarin men denkt alles te kunnen meten. In het onderwijs heerst meetgekte. Laatst kreeg ik een enquête onder de neus. Zo even had ik opgeschept over hoe goed het ging met mijn lessen. Toen zou men het mij wel eens even laten zien: veel regenwolken, geen enkel zonnetje en dat alles werd nog eens kracht bijgezet door tal van grafieken in alle kleuren van de regenboog. Dit kon toch niet waar zijn? Ik ging voor mijn vak én voor mijn leerlingen. Als ik zo werd beoordeeld, moest er toch iets met die enquête mis zijn. Maar nee hoor, die enquête had zich al op diverse scholen bewezen, inclusief een ranking the stars, werd gezegd. Je kon er namelijk ook heel goed uit aflezen op welke plek je stond als docent. Ik bungelde ergens onderaan en ging huilend naar huis. Een week later gingen meer collega’s huilend naar huis. Was het ’t allemaal waard? Een jaar na mijn lagere school belandde ik op het vwo en was ik opnieuw de beste van de klas. En een jaar na deze ‘ranking the stars’ geef ik nog steeds met plezier les. Natuurlijk gaat het niet elke dag in elke klas geweldig, maar dat werd vroeger normaal gevonden. Tegenwoordig denkt men dit echter door middel van enquêtes te moeten meten. Maar wat meet men dan eigenlijk? Er zijn zo veel factoren die een rol spelen bij hoe een les wordt ervaren door pubers die nog lang niet droog zijn achter de oren. Je zou er helemaal niet aan moeten beginnen om dat te willen meten via een regenboogenquête. „Meten is weten”, zeggen de deskundigen, maar over mij weten de meters helemaal niets. Er is misschien wat informatie van horen zeggen en iemand heeft mij een keer gesproken zonder in mijn les te kijken. Maar dat hoeft ook niet, want er is een meting. Ik moet er bijna hard om lachen als dit ook niet zo triest was, want er zijn mensen onnodig de dupe van. Ben ik ook een slachtoffer? Nee hoor! De ironie wil dat al dat gemeet voor mij misschien wel goed is. Ik ga er nog harder van rennen. Als kind al. Na die tyfus-Tivo-uitslag wilde ik alleen maar laten zien hoe goed ik was. Vond de leraar Frans mij slechts een zesje waard, dan ging ik alleen nog tienen halen. De aard van het beestje. Maar je moet de tijd natuurlijk wel mee hebben. Toen was dat de tijd van Den Uyl en de middenschool. En ja, daar waren ook mislukkingen, maar ik kreeg als arbeiderskind wel alle kansen. Er waren nog geen toelatingseisen en cijfers waren niet alles bepalend. Daarom kon ik naar een scholengemeenschap die als eerste een brugklas had met drie niveaus, waardoor ik vlekkeloos door kon rollen naar het atheneum. Over mij hoeft men zich dus geen zorgen te maken. Toch weet ik dat er door al het toetsen en testen onnodig slachtoffers vallen. En het vertrouwen is blijkbaar weg. Het vertrouwen in onderwijzers die kinderen al jarenlang in hun klas hebben, het vertrouwen in de leraar die toch behoorlijk geschoold voor de klas staat en er alles aan doet om zijn lessen goed te geven. Maar ook het vertrouwen van de ouders en de maatschappij in de scholen is weg. Scholen, die tegenwoordig tot in het uiterste met elkaar moeten concurreren om het hoofd boven water te houden. Deze scholen moeten zich natuurlijk verantwoorden en gaan daarom mee in de meetcultuur. Maar wat zegt dat nu over hun werkelijke kwaliteit? En wat zei de Tivo-test over mijn niveau? Men mag het voor mij invullen, maar ikzelf weet wel beter. En ik hoop een heleboel anderen ook. Anita Brus is docent Spaans/beeldende vorming.

Gekte w.b.t. Detailregelzucht: 'Die strenge medische normen zijn verspilling'

Die strenge medische normen zijn verspilling
Vervang de luchtfilters, bevochtig vezeldoekjes op de juiste manier. Het veiligheidsdenken is doorgeslagen, constateert Miquel Ekkelenkamp Bulnes. Laat de normen opstellen door degenen die zich er zelf aan moeten houden. Miquel Ekkelenkamp Bulnes | NRC 15 maart 2014 | pagina 4 - 5
U bent van een grenzenloos vertrouwen. U vertrouwt de instanties die we in het leven hebben geroepen om regels te handhaven en de orde te bewaken, u vertrouwt uw overheid, u ver-trouwt zelfs commerciële bedrijven. Daarom kookt u het kraanwater niet voor u het drinkt, importeert u voor uw baby geen poedermelk uit andere landen, controleert u zelden de moto-ren van het vliegtuig waar u instapt en tekent u negentig procent van de overeenkomsten die u aangaat zonder ze te lezen. En gelijk heeft u, want nog nooit is dit onherbergzame en vijandige moeras zo veilig en vriendelijk geweest voor zijn inwoners als anno 2014. Eten, medische behandelingen, verkeersongevallen, gif in het milieu; we gaan er nog maar zelden dood aan, en dat danken we aan normen, voorschriften, richtlijnen en controles. Zeker in de gezondheidszorg brengen ze structuur in chaos en roepen ze eenzame prutsers (de omstreden neuroloog Jansen Steur bijvoorbeeld) tot de orde. De kleine risico’s die wij lopen, worden met de dag kleiner – maar nooit klein genoeg. We accepteren namelijk helemaal geen risico’s meer. Bij het kleinste of onwaarschijnlijkste incident wijzen we naar overheid en politiek om „iets te doen” – en dat leidt er vaak toe dat er ook daadwerkelijk iets gebeurt. De ergste uitwassen van de (politieke) aandrang tot handelen vinden plaats wanneer we worden geconfronteerd met volkomen nieuwe situaties. Een vulkaanuitbarsting op IJsland leidde in 2010 tot het dagenlang platleggen van het Europese vliegverkeer. De as zou motoren beschadigen en vliegtuigen in gevaar brengen. Terwijl piloten gewoon de lucht in wilden, besloten de verantwoordelijke instanties alles aan de grond te houden, inclusief zweefvliegtuigen (die helemaal geen motor hebben). En herinnert u zich de Y2K-bug nog? Bij de overgang naar het nieuwe millenium zouden computers op hol slaan, pacemakers er de brui aan geven, vliegtuigen uit de lucht vallen. We moesten kaarsen en conserven inslaan. Ettelijke miljarden werden vergooid aan hard- en software, aan programmeurs en consultants. Ziekenhuizen hielden al hun specialisten de hele jaarwisseling in huis. Dat was nodig, want er zou zich een ramp kunnen voordoen, terwijl tegelijk telefoons niet meer zouden werken en oegangswegen geblokkeerd zouden worden door al die neerstortende vliegtuigen. Er gebeurde op 1 januari 2000 natuurlijk geen klap. Better safe than sorry’ is het adagium, maar ‘safe’ slaat in de regel al lang niet meer op het welzijn van de burger – wel op de carrières van bestuurders en politici. Nul risico kan niet, dus dat wordt vervangen door nul verantwoordelijkheid, en nul verantwoordelijkheid wordt bereikt door aantoonbaar maatregelen te hebben genomen. Handelen is verworden van middel tot doel. Zelfs als men niets kan doen, gaat men toch iets doen, bijvoorbeeld voorlichten. Gedeelde verantwoordelijkheid is immers géén verantwoordelijkheid. Vaak volgen dan adviezen van het kaliber ‘dan volgt nu een waarschuwing voor de scheepvaart: pas op!’. In 2009 vond rond de Mexicaanse griepepidemie de idiote campagne ‘Grip op griep’ plaats, met algemene adviezen als „was vaker uw handen” (Hoe vaak? Na elke hand die u schudt? Tien keer per dag?). Drie jaar eerder hield men de publiekscampagne ‘Nederland tegen terrorisme’: „Ook u kunt iets doen. Ziet u iets verdachts, zeg het ons!” Ook niet bepaald een zinvolle aanwijzing. De ene vergeten plastic tas werd ingeleverd bij de gevonden voorwerpen, de andere leidde tot ontruiming van treinstations. De drang tot handelen leidt ook in het meer alledaagse tot allerlei dubieuze maatregelen, minder zichtbaar maar uiteindelijk net zo kostbaar. Onze controlerende instanties gebruiken immers niet langer uitkomstparameters (gaat het goed?) maar procesparameters (doén ze het goed?). Uitkomstparameters bestaan nog wel, zoals de nu verplicht te publiceren ziekenhuissterfte, maar niemand gelooft daar écht in, want te moeilijk, te onbetrouwbaar, te slecht vergelijkbaar tussen instellingen. Bovendien gaat het te goed met ons – en daardoor zijn er simpelweg te weinig meetpunten of incidenten voor betrouwbare statistiek op uitkomsten. Je kunt de veiligheid van een kerncentrale tenslotte ook niet baseren op de parameter ‘aantal nucleaire meltdowns’. De normen voor onze procesparameters worden intussen door onze drang tot handelen verder aangescherpt, maar worden helaas bijna nooit onderbouwd. Hoe zou dat immers moeten als we geen uitkomsten meten? Strenger is simpelweg beter! Een voorbeeld uit mijn eigen werk. In water voor dialysebehandelingen mogen al jaren maximaal 100 bacteriën per milliliter zitten. Dat klinkt wellicht als eng veel, maar er is nog nooit iemand ziek van geworden. Toch wordt deze norm binnenkort aangescherpt naar maximaal 10 bacteriën per milliliter, waardoor de controles zo’n 50 procent duurder worden. Een tweede voorbeeld. In onze werkruimtes voor tuberculose zitten luchtfilters die we elke twee jaar vervingen, tot we een half jaar geleden van de IGZ opgedragen kregen ze élk jaar te vervangen (100 procent duurder). Daarvoor was geen enkele onderbouwing, anders dan dat de intuïtieve levensduur van filters een één op één relatie onderhoudt met de omwentelingstijd van de aarde om de zon. Vaak worden ook opleidingen en trainingen als norm verplicht gesteld. Deelnemers horen een paar verhalen aan, doen wat oefeningen en krijgen dan een certificaat. Dat garandeert vervolgens hun vaardigheden. Dat is het mooie aan verplichte opleidingen; je gebruikt ze om problemen over de schutting te gooien. Je hoeft immers geen processen meer te controleren, alleen maar diploma’s – het zetten van vinkjes wordt weer makkelijker. Intussen vindt er een enorme opleidingsinflatie plaats. In ziekenhuizen spreekt men serieus over trainingen voor bloeddrukmeters, thermometers en postoelen, compleet met lijsten waarop wordt bijgehouden welke verpleegkundige geaccrediteerd is. Een werkgroep of controlerend orgaan dat een proces evalueert zonder een nieuw formulier in te voeren? Het komt weinig voor. Een controle afschaffen? Dat is al helemaal een zeldzaamheid. Hierdoor neemt het aantal bij te houden parameters toe; elk ziekenhuis houdt verplicht centraal een paar duizend parameters bij. Bovendien is het registreren zelf ook verworden tot een parameter: tot het krankzinnige aan toe moet alles worden gemeten en opgeschreven. Onlangs tikte de Inspectie voor de Gezondheidszorg schoonmakers in mijn ziekenhuis op de vingers omdat ze hun microvezeldoekjes niet op de juiste wijze met water bevochtigen. Dat doen ze namelijk op gevóel in plaats van met een maatbeker. „Afwezigheid van de norm, zeer hoog risico”, oordeelde de IGZ. Het veiligheidsdenken is te ver doorgeslagen in het obsessief compulsieve, dus het wordt tijd er wat meer gezond verstand in te brengen. Om te beginnen kunnen we alleen nog nieuwe normen en verscherping van bestaande normen toestaan als de meerwaarde ervan is aangetoond. Of als vaststaat dat er sprake is van ernstige problemen. Voor de goede orde, een ernstig probleem is niet hetzelfde als een breed uitgemeten incident, als het vermóeden van een ernstig probleem of als het beslúit dat iets een ernstig probleem is. Het adagium ‘strenger dus beter’ volstaat niet langer, want de praktijk leert ons dat strenger vooral duurder is. Het systematisch berekenen van de extra kosten die nieuwe normen opleveren, zou al enorm helpen. Maar een nog grotere stap kan worden gezet door alleen normen te accepteren die zijn opgesteld door degenen die zich er later zelf aan moeten houden. Dat klinkt eenvoudiger dan het is. Mensen zoals ik zeuren wel graag dat er veel zinloze regels, formulieren en accreditaties bestaan, maar in de praktijk zijn we nauwelijks bereid tijd te investeren in het maken van betere en beter uitvoerbare regels. Maar professionals zijn er toch zelf verantwoordelijk voor dat hun vak niet zo veilig wordt gemaakt dat het gevaarlijk wordt. Dat er tussen al het controleren, registreren en autoriseren door ook af en toe tijd overblijft om simpelweg te werken, bijvoorbeeld om in ziekenhuizen patiënten beter te maken. Miquel Ekkelenkamp Bulnes is schrijver en arts-microbioloog.

zaterdag 22 maart 2014

Gekkenhuis; 1M Genoeg? Nee, 546M per jaar is NIET Genoeg...

Het onderstaande artikel behoeft geen commentaar, het spreekt voldoende duidelijk over de zieke wereld van vandaag de dag! Een jaarsalaris van 546 miljoen dollar
caroline de gruyter | NRC.nl 15 maart 2014 Op YouTube staat een filmpje waarop twee teams, één in witte shirts en één in zwarte, rondspringen en ballen overgooien. De kijker moet tellen hoe vaak het witte team de bal overgooit. Het gaat snel, je moet je concentreren. Na 30 seconden stopt het filmpje en komt de vraag in beeld: ‘Did you see the moonwalking bear?’ Dan begint het filmpje opnieuw. En verdomd: een enorme zwarte beer wandelt van rechts naar links door je scherm. Helemaal gemist, daarnet. Conclusie: ‘Easy to miss something you’re not looking for.’ Dit filmpje is gebruikt door de fietserbond in Londen, om automobilisten te waarschuwen voor fietsers. Het verklaart ook waarom weinig financiële toezichthouders de kredietcrisis zagen aankomen: niet omdat ze dom waren of hun werk niet deden, maar omdat ze op andere dingen letten. De vraag is: hebben ze ervan geleerd? Kunnen ze de volgende crisis voorkomen? Waarschijnlijk niet. Zo zijn wij banken nu zó aan het reguleren, dat we nauwelijks beseffen dat veel bankwerk allang door anderen is overgenomen. Door participatiemaatschappijen bijvoorbeeld, private equity. Deze sector is nauwelijks gereguleerd. Europarlementariërs ontploften deze week, omdat banken hoge bonussen blijven uitkeren. Begrijpelijk. Maar hier is de moonwalking bear: bij private equity verdienen topmensen veel meer. Die maatschappijen maken steeds meer winst, banken steeds minder. Bij Amerikaanse banken is de ‘rentabiliteit eigen vermogen’ (wat je verdient met eigen vermogen) afgelopen jaren gezakt naar gemiddeld 8,2 procent, bij Europese tot 4,5 procent. Bij participatiemaatschappij KKR steeg ze in 2013 naar 27,4 procent. Topman Leon Black van Apollo verdiende vorig jaar 546 miljoen dollar. Vroeger kochten die maatschappijen bedrijven, die ze na sanering met winst verkochten. Tegenwoordig verstrekken ze ook krediet, zoals hypotheken, en investeren ze in infrastructuur en onroerend goed. Waarom? Omdat banken het niet meer doen. Omdat de rentes laag zijn. En omdat banken onder scherp toezicht staan en hoge buffers moeten aanhouden. Participatiemaatschappijen zijn in het gat gesprongen. Driemaal raden waar de risico’s nu zitten. Private equity gebruikt geen spaargeld van burgers, zoals banken deden, maar wel geld van pensioenfondsen en beleggingsfondsen van overheden. Dat is gevaarlijk. Hoe meer de banksector opdroogt (de topman van de Spaanse bank BBVA voorspelt dat er „weinig banken overblijven”), hoe meer geld er bij participatiemaatschappijen zit. Die moeten omzet draaien en zoeken wereldwijd ‘projecten’. Ze kopen half Ierland op. Vorig jaar stortten ze zich massaal op Vietnam. „We weten van gekkigheid niet wat we met ons geld moeten,” zei een van hen. Dit lemmingengedrag zag je tien jaar geleden bij banken. Het Amerikaanse ministerie van Financiën en de nieuwe chef van de Bank for International Settlements in Basel, de ‘bankier van de centrale banken’, hebben al gewaarschuwd. De participatiemaatschappijen trekken hun geld soms abrupt uit projecten terug. Dat leidt tot faillissementen en economische kaalslag. Vraag het Mexicaanse bouwbedrijven of banken in Kazachstan. Mondiale regelgeving is een illusie; besluiten van de G20 worden zelden uitgevoerd. Als Europa private equity wil intomen, moet het zelf actie ondernemen. De sector heeft nu registratieplicht. De Europese Commissie wil beter toezicht, maar in een verkiezingsjaar ligt wetgeving nagenoeg stil. Dit kan spectaculair misgaan. Frustrerend: zíe je die beer een keer, kun je hem nog niet tegenhouden. Wat overheden wel kunnen doen, is het beest in de gaten houden en kwetsbare stukken publiek domein en spaargeld afschermen. Dat zou al heel wat zijn, vergeleken met vorige keer.

vrijdag 21 maart 2014

Lokale vs. Landelijke Politiek

NRC Opinie: De lokale democratie is vermoord Gemeenten fuseren, deelraden worden afgeschaft en het Rijk dicteert het beleid. Geen wonder dat de lokale verkiezingen niet leven, meent Nico Baakman. ‘Wie de lokale democratie werkelijk de nek om wil draaien, moet pleiten voor een aantal gemeenten dat onder de tweehonderd ligt”, stelde hoogleraar staatsrecht D.J. Elzinga in 1994 in het vakblad Binnenlands Bestuur. Er zijn nu nog twee keer zoveel gemeenten, maar vermoedelijk zal bij de komende raadsverkiezingen niet meer dan de helft van de kiezers opdagen. Thorbecke noemde de gemeenteraad de leerschool der democratie. Nu luidt de mantra in Den Haag dat het lokale bestuur het dichtste bij de burger staat. De vraag is natuurlijk: hoe dicht? Toen de Gemeentewet werd ingevoerd kreeg Nederland ruim 1.200 gemeenten voor 3,1 miljoen inwoners. Gemiddeld ongeveer 2.500 personen per gemeente, de meeste gemeenten zijn overigens kleiner. Maar zelfs van de allerkleinste gemeente eiste de wet een raad met negen zetels. Buiten de paar grote steden toen (Utrecht 47.000, Den Haag 70.000, Rotterdam 90.000, Amsterdam meer dan 200.000 inwoners) zal het destijds niet meegevallen zijn een kiezer te vinden die onder zijn familieleden of kennissen geen gemeenteraadslid telde. De directe participatie in het lokaal bestuur is gemiddeld dus 6,5 keer zo klein geworden Van die ruim 1.200 gemeenten is nog eenderde over, maar Nederland heeft intussen wel 16,8 miljoen inwoners. Aanvankelijk waren er dus (méér dan) 9 x 1200 = 10.800 gemeenteraadszetels. Nu zijn er nog 9.068: ruim 1.700 minder. Gemiddeld is Nederland daarmee van één zetel voor minder dan 287 inwoners naar één voor meer dan 1.850 personen gegaan. De directe participatie in het lokaal bestuur is gemiddeld dus 6,5 keer zo klein geworden. Regering wilde deelgemeenten kwijt Waarom die schaalvergroting? Den Haag vond grote gemeenten effectiever (‘meer bestuurskracht’) en efficiënter. Helaas. Aan zelfbestuur komen gemeenten nauwelijks nog toe omdat ze steeds meer rijksbeleid moeten uitvoeren. Volgens een recente schatting bestaat zo’n 85 procent van de gemeentelijke activiteiten uit medebewind. Dat doet vrezen dat het bij die schaalvergroting vooral ging om het vermogen rijksbeleid uit te voeren. Beleid waar de gemeenteraad weinig over te zeggen heeft – en zo goed als niets als het in intergemeentelijke samenwerkingsverbanden uitgevoerd wordt. Gemeenteraden mogen niet meer meebesturen en worden bovendien verkleind De Gemeentewet bood grote gemeenten de mogelijkheid intern weer te decentraliseren door deelgemeenten te scheppen. Het doel was de afstand tot de burger te verkleinen en de doelmatigheid te vergroten. Zo had Amsterdam op een gegeven moment 11 deelgemeenten en 359 volksvertegenwoordigers in plaats van 45. Grofweg één raadszetel per 2.000 Amsterdammers tegen één per 16.000. Een aanmerkelijk verschil. De regering wilde de deelgemeenten echter kwijt. In de memorie van toelichting op het wetsvoorstel staat: ‘Voor de beoordeling van de deelgemeenten is voor het kabinet niet van doorslaggevend belang geweest of zij hebben bijgedragen aan goede dienstverlening en het overbruggen van de afstand tussen de overheid en de burgers; dat kan immers ook op andere manieren en zonder politiek-bestuurlijke kop’. Wat die andere manieren zouden kunnen zijn staat er niet bij. Samenvattend: er zijn al meer dan 800 gemeenteraden opgeheven en de ter compensatie van de schaalvergroting ingestelde deelraden wacht hetzelfde lot. Daardoor is de participatie in het lokaal bestuur 6,5 keer zo klein geworden. Gemeenten houden zich overwegend nog bezig met het uitvoeren van rijksbeleid waar de raad nauwelijks greep op heeft. Voor het overige mogen gemeenteraden niet meer meebesturen en ze worden bovendien verkleind. Zou dat kunnen verklaren waarom voor de helft van de kiezers de lokale democratie dood is? Het kabinet noemt dit decentraliseren, maar het is gewoon medebewind Sluipmoord op de lokale democratie Intussen meent dit kabinet dat veel beleid effectiever dicht bij de burgers vormgegeven kan worden en het wil daarom taken naar de gemeenten overhevelen. Dat noemt het decentraliseren, maar het is gewoon medebewind. Te kleine gemeenten kunnen dat niet aan en dus komt een andere oude bekende om de hoek kijken: schaalvergroting. Honderdduizend inwoners zou de ondergrens moeten worden. Gevolg is ten hoogste een raadslid voor 2.564 inwoners en her en der nog minder; gemiddeld wordt het zeker tien keer zo weinig als onder Thorbecke. De ‘decentralisatie’ begint op gang te komen, maar de gemeentelijke opschaling niet echt. En dus dreigt nog meer medebewind in intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, buiten het zicht van de gemeenteraden. Die verbanden noemde D66-leider Alexander Pechtold daarom „de grootste sluipmoordenaar van de lokale democratie” en hij riep het kabinet op meer werk te maken van… de gemeentelijk herindeling. Gaat dat lukken dan zal het aantal gemeenten ver onder de 200 zakken en kan blijken of Elzinga helemaal gelijk krijgt. Pechtold had het in elk geval niet: de sluipmoord op de lokale democratie is in Den Haag beraamd. Nico Baakman is politicoloog aan de universiteit van Maastricht.

De Participatie-Samenleving; geen bezwaar maar alleen als er een visie onder ligt (1)

Werken voor een uitkering. Wanneer WEL Wanneer NIET Te weinig politie voor alle taken die er voor de politie zijn, politie soms te hoog opgeleid voor sommige taken. Dan kan je denken aan Vrijwilligers, mensen met weinig kwalificaties, mensen met weinig ervaring. Maar die kan je weer lang niet alles, en zeker niet zelfstandig, laten doen. Laten we eens kijken naar het volgende artikel uit NRC (2014) PERDIEP RAMESAR − 17/12/13, 00:00 Onderzoeker: Laat stadswacht geen politiewerk doen Gemeentelijke handhavers moeten zich bezighouden met overlast en beslist niet met criminaliteitsbestrijding. Ook moeten deze buitengewone opsporingsambtenaren (boa's) geen deel van de Nationale Politie uitmaken, zoals sommige wetenschappers hebben voorgesteld. Dat stelt bestuurskundige en criminoloog Eric Bervoets van onderzoeksbureau Lokale Zaken in het onderzoek 'Gemeentelijk blauw; het dagelijks werk van gemeentelijke handhavers in beeld', dat vandaag uitkomt. Voor dat boek deed hij in opdracht van het onderzoeksprogramma Politie & Wetenschap onderzoek in Apeldoorn, Ede, Zeist, Capelle aan den IJssel, Deurne en Geldrop-Mierlo. De gemeentelijke handhavers zijn er volgens Bervoets vooral voor de overlastbestrijding omwille van de leefbaarheid. Het verschilt per gemeente welke problemen (bijvoorbeeld jeugdoverlast, drank en horeca of huisvuil) de meeste aandacht krijgen. Daardoor kan de handhaver in Capelle aan den IJssel andere taken hebben in de overlastbestrijding dan die in Ede of Den Haag. Vanwege de lokale rol is het volgens het onderzoek 'verstandig' om het beheer onder het stadsbestuur te houden, want die weet als geen ander wat er binnen de gemeentegrenzen speelt. De politie richt zich veel minder op lokale overlastproblemen en meer op de aanpak van (bovenlokale) criminaliteit. Vanwege de verschillen moeten de gemeentelijke handhavers voorlopig niet onder de Nationale Politie komen. Bij de komst van de Nationale Politie pleitten sommige wetenschappers daarvoor, zodat het volledige veiligheidsdomein onder de politie valt. "Het gemeentebestuur kan nu geheel zelf bepalen waarvoor ze de handhavers gaat inzetten. Als die ook onder de Nationale Politie komen, zijn de gemeenten hun toezichthouders kwijt en zijn ze afhankelijk van de korpsleiding, de minister en hun planning en budgetten", zegt Bervoets. Gemeenten krijgen steeds meer taken die voorheen onder het Rijk vielen. Daar horen ook handhavingstaken bij, zoals die van de drank- en horecawet die voorheen bij de Voedsel- en Warenautoriteit lag. In alle onderzochte gemeenten is die verruiming van taken gaande. Dat is ook te zien, sommige boa's dragen bijvoorbeeld al handboeien. Dan kunnen ze bijvoorbeeld bij een aanhouding een overlastgevende jongere beter vasthouden, terwijl ze wachten op de politie. De handhavers en de politie moeten gescheiden blijven werken, maar moeten wel informatie kunnen uitwisselen over bijvoorbeeld overlastmeldingen. De gemeente Den Haag en de politie-eenheid Den Haag bepaalden vorige week dat agenten en handhavers op een paar bureaus samen op pad gaan. Volgens Bervoets hoeft daar niets mis mee te zijn, mits de taken gescheiden blijven. "Het risico bestaat dat politiemensen met de handhavers erbij denken dat er een reservemacht bij is gekomen die ook meedoen met criminaliteitsbestrijding." Aanbevelingen uit het onderzoek Gemeentelijke handhavers moeten een gelijkwaardige positie krijgen naast de politie. Beide groepen hebben afgebakende terreinen en taken. Handhavers voor overlast, bestuurlijk toezicht en eventueel criminaliteitspreventie. Politie voor opsporing en oppakken voor criminelen en grote openbare-ordekwesties. De handhavers zijn relatief veel op straat en hebben daardoor veel kennis van de wijken. De handhavers kunnen daarom, nog beter en meer dan nu, door de politie worden bevraagd op hun lokale kennis ('straatinformatie'). Het is van groot belang dat de handhavers kunnen beschikken over dezelfde 'lifeline' als de andere hulpdiensten, wat - in tegenstelling tot het beleid - betekent: alle handhavers moeten toegang hebben tot het communicatiesysteem C2000 of een alternatief meldkamersysteem. Wat kunnen we hiervan leren? .... .... ?

zondag 24 november 2013

Zo zou het moeten, maar als 'de mensen het niet willen'...dan houdt het (voorlopig) op...

NRC 24 november 2013, 14:04 Zwitsers stemmen tegen korting topinkomens Zwitserland Een huis in Zwitserland met een vlag van de voorstanders van een beperking van de topinkomens. De bevolking lijkt het plan om topbestuurders maximaal twaalf keer het minimumloon te laten verdienen echter af te wijzen in een referendum vandaag.
Foto AP / Arno Balzarini door Niels Posthumus Buitenland Kiezers in Zwitserland lijken vandaag het plan om een limiet te stellen aan topsalarissen via een referendum te hebben verworpen. Voorgesteld was om topmensen binnen het bedrijfsleven maximaal twaalf keer het minimumloon te laten verdienen. Een meerderheid van de deelnemers aan het referendum stemde echter tegen, meldt persbureau AP. De Jonge Socialisten hadden de volksraadpleging aangevraagd. In Zwitserland kan een referendum worden gehouden als een initiatiefnemer 100.000 handtekeningen verzamelt. De Jonge Socialisten vinden dat bankdirecteuren en topbestuurders van grote bedrijven buitensporig veel verdienen. Met de uitkomst van het referendum geven de Zwitsers gehoor aan het dringende advies van de regering om het voorstel van de Jonge Socialisten te verwerpen. De regering stelt dat de staat niet moet bepalen hoeveel geld iemand verdient. Bovendien waarschuwde zij dat de belastinginkomsten zouden kelderen als de topsalarissen fors zouden worden teruggebracht. 1812 keer het minimumloon Sommige topmensen in Zwitserland verdienen maar liefst ruim 200 keer het Zwitserse minimumloon. Dat minimumloon bedraagt 2200 tot 3200 euro per maand, afhankelijk van de regio waar een bedrijf is gevestigd. En dan zijn er natuurlijk ook nog echte uitschieters. De directeur van de bank Crédit Suisse heeft bijvoorbeeld een inkomen dat 1812 keer hoger is dan het minimumloon. Dit komt neer op een jaarinkomen van 72 miljoen euro. Dergelijke megasalarissen wekten de laatste tijd steeds meer ergernis in Zwitserland, zeker in combinatie met ontslagrondes binnen veel bedrijven als gevolg van de economische crisis. Maar volgens de peilingen zijn de tegenstanders van de beperking van topsalarissen bij het referendum van vandaag nadrukkelijk in de meerderheid. Zo’n 65 zou tegen de verlaging van de topsalarissen zijn, slechts 35 procent voor. De leider van de Jonge Socialisten heeft zijn nederlaag dan ook al erkend. Lees meer over: Crédit Suisse referendum topsalarissen Zwitserland