donderdag 27 november 2014

De Goede Overheid(s Partij): Deel-1 - 'Stofzuigen tussen satellieten' - BAS DEN HOND, Trouw

Er zijn nogal wat mensen die altijd vinden dat ze teveel belasting betalen (ook al betalen ze steeds minder en/of gewoon te weinig. Telegraaf-hoof-redacteur Jules Paradijs is er zo eentje, en met zijn krant sleept hij honderdduizenden dolende, goedgelovige (in Paradijs dan, natuurlijk HATEN ze alles wat maar een zweempje Links in zich heeft), en niet al te nadenkende, beperkt opgeleide lieden in zijn kielzog van Chocolade-letters vretende 'aanhangers' met zich mee... Uitspraak van 'dikke Jules': "De overheid moet er voor zorgen dat de lantarens branden, en dat is het dan wel zo'n beetje..!" Over onbenul gesproken! In deze serie artikelen die laten zien dat de wereld steeds ingewikkelder wordt, dat mensen in die wereld een goed functionerende Overheid nodig hebben, nee; dat zelfs de meeste bedrijven die Goede Overheid NODIG hebben! Deel-1: 'Stofzuigen tussen satellieten' BAS DEN HOND, Trouw,(18/01/14) Stofzuigen tussen satellieten BAS DEN HOND − 18/01/14, 00:00 Op grote hoogten zitten elektrisch geladen deeltjes gevangen in het magnetisch veld van de aarde. Ze verstoren de elektronica van satellieten of zandstralen de zonnepanelen die ze tegenkomen. Wetenschappers werken daarom aan een ruimtebezem. BOSTON (VS) - Het klassieke voorbeeld dat economen geven om uit te leggen waarom een overheid soms best een goed idee is, is de vuurtoren. Ooit waren die van levensbelang voor de scheepvaart. Maar je kon geen bedrijf beginnen dat vuurtorens bouwde en exploiteerde: hoe had je moeten afdwingen dat een langsvarend schip, veilig dankzij die ronddraaiende lichtbundel, voor de dienst betaalde? Nu vuurtorens monumenten zijn geworden van een verleden zonder GPS, wordt het tijd voor een nieuw voorbeeld. En je hoeft niet verder te zoeken dan het GPS-systeem zelf en de problemen die deze satellieten in hun baan ondervinden door een bombardement van snel bewegende elektrisch geladen deeltjes: elektronen en protonen. Als er een manier gevonden zou kunnen worden om hun omgeving schoon te vegen, zou je daar miljoenen mee kunnen besparen. Maar ook hier is het probleem: een satelliet-eigenaar die niet voor die dienst betaalt, profiteert er evengoed van. In dit geval is er nog geen overheid wakker geworden die er geld in steekt. Maar in hoop op betere tijden wordt in laboratoria her en der in de wereld al jaren aan het idee gesleuteld. Door Reiner Friedel onder andere, van het Los Alamos National Laboratory in de VS. Hij behoort tot degenen die het idee levend houden van de 'ruimtebezem', die de stralingsgordels rond de aarde een milder klimaat moet geven. Van pool tot pool Er zijn twee van die Van Allengordels. De binnenste bevindt zich (bij de evenaar gemeten) op 1000 kilometer tot 6000 kilometer hoogte en bevat vooral zware protonen, de buitenste gaat van 13.000 tot soms wel 60.000 kilometer hoog en daar zijn het vooral elektronen die de schade veroorzaken. De elektrisch geladen deeltjes zitten op die hoogten gevangen in het magnetisch veld van de aarde. Dat veld loopt overal rond de planeet in een grote boog van pool tot pool. Deeltjes die ongeveer in de richting van het veld bewegen, merken er niet zoveel van. Deeltjes die dwars op het veld bewegen, worden er voortdurend door afgebogen, zodat ze in cirkels bewegen en niet verder komen. De meeste deeltjes hebben een richting daartussenin en doen allebei: het resultaat is een spiraalvormige beweging naar een van de magnetische polen. Daar in de buurt gekomen, wordt het magnetisch veld sterker, de spiraalbeweging strakker en de snelheid kleiner, tot ze stilstaan en daarna terugkaatsen, naar de andere pool. Tenzij ze voor die tijd een satelliet tegenkomen en daarvan de elektronica storen, of de zonnepanelen helpen zandstralen. Tot nu toe hebben de bouwers van satellieten twee opties om die schade te verkleinen: ze kunnen hun elektronica steviger uitvoeren en afschermen, wat geld kost en door het extra gewicht de lanceerkosten verhoogt. Of ze kunnen de satelliet een baan geven die misschien minder economisch is, maar de stralingsgordels grotendeels vermijdt. Helemaal lukt dat niet, omdat die gordels niet zo mooi cirkelvormig zijn als satellietbanen kunnen zijn. En sommige satellieten hebben banen nodig die verre van cirkelvormig zijn: die kunnen zowel de binnenste als de buitenste baan tegenkomen. De Van Allengordels werden in 1958 ontdekt, door de Explorer 1 en de Explorer 3, de allereerste satellieten die de VS in een baan om de aarde brachten, kort nadat de Sovjet-Unie de primeur had gehad met haar Spoetniks. Sindsdien zijn er allerlei ideeën geopperd om de schadelijke deeltjes uit te schakelen. Het meest extreme was boven de aarde een atoombom te laten ontploffen. Dat zou de atmosfeer tijdelijk zo hoog opstuwen, dat zij tot in de Van Allengordels zou reiken, daar de deeltjes in hun vaart stuiten en ze daarmee verlossen van de houdgreep van het magnetisch veld. De meest veelbelovende methode maakt ook gebruik van de atmosfeer, maar dan wat subtieler. Bij het heen en weer kaatsen langs het magnetisch veld van de aarde, komen sommige deeltjes zo dicht bij de polen dat ze in de buitenste lagen van de atmosfeer komen en op luchtmoleculen kunnen botsen. Motregen van deeltjes En dat proces kun je bevorderen, hebben Friedel en zijn collega's berekend. Als je een satelliet lanceert die radiogolven uitzendt van de goede frequentie, de frequentie waarmee een elektron of proton spiraliseert, dan kan die spiraalbeweging zo worden veranderd dat het deeltje dichter bij de aarde komt voor het terugkaatst en een grotere kans heeft om een luchtmolecuul te raken. Op die manier zal uit de stralingsgordels een gestage motregen van deeltjes vallen. Dat dit kan werken, is geen vraag. Tussen de twee Van Allengordels zit een laag boven de aarde waar niets aan de hand is. Die is door de natuur schoongeveegd, doordat allerlei processen, waaronder bliksemflitsen op aarde, zorgen voor een voortdurende bestraling met radiogolven die de goede golflengte hebben om op die hoogte de deeltjes te laten verdwijnen. Nadere berekeningen, onlangs nog door Maria de Soria-Santa Cruz van het Massachusetts Institute of Technology in het tijdschrift Geophysical Research Letters, wijzen uit dat die methode grote problemen kent als het om de protonen van de binnenste stralingsgordel gaat. Die zijn zwaar, dus heb je een radiozender met flink vermogen nodig om hun beweging te beïnvloeden. Maar door hun grote massa spiraliseren ze ook langzaam. De opdracht is dus om sterke radiogolven uit te zenden met een frequentie van slechts 4 KHz en dus een golflengte van een kleine honderd kilometer. Dat lijkt praktisch niet uitvoerbaar. Maar voor de elektronen in de buitenste stralingsgordel lijkt het wel goed te doen. En het is de investering waard, zegt Friedel. Als je alleen al kijkt naar de verzameling GPS-satellieten die om de aarde draait: de vervangingskosten daarvan bedragen zo'n 3,75 miljard euro. Ze zijn ontworpen om het 15 jaar in de ruimte uit te houden. Als een ruimtebezem die periode met 2 jaar kan rekken, heb je dus al een slordige 500 miljoen euro verdiend. Ongeveer dat kost het, schat hij, om een ruimtebezem te bouwen en te lanceren. De besparing voor alle andere satellieten die daarboven voortaan minder door energierijke elektronen worden geteisterd, krijg je dan cadeau. Ruimtelijke kernproef En als dat al geen argument genoeg is, wil Friedel, werkzaam op het laboratorium waar de Amerikaanse atoombom werd ontwikkeld, er ook nog wel het argument van de nationale veiligheid tegenaan gooien. Want het is niet alleen de natuur die kan zorgen voor elektrisch geladen deeltjes rond de aarde. In 1962 vond een beruchte Amerikaanse kernproef in de atmosfeer plaats, Starfish. Die zorgde voor een derde Van Allengordel van elektronen. De helft van de weinige satellieten die toen in een baan om de aarde draaiden, gaf de geest. Dat waren er nog niet zoveel - maar zo'n ontploffing nu, per ongeluk of als onderdeel van een oorlog of aanslag, zou een onafzienbare economische schade opleveren. Niet alleen zouden vele satellieten bezwijken, maar het zou jaren duren voor de reserve-exemplaren veilig konden worden gelanceerd. Als verzekering daartegen zou je dus een ruimtebezem op post moeten hebben. Het zou een verzekering zijn die de aardbewoners niets kost, omdat hij zich bij het uitblijven van zo'n kernramp bezig kan houden met het schoonvegen van de natuurlijke stralingsgordels, en zichzelf zo ruim terugverdient. Betalen gaan we er natuurlijk voor op de enige manier die economen voor zo'n openbare dienst kunnen bedenken: met een ruimtebelasting. Het geheim van de Van Allengordels Hoewel ze al 55 jaar geleden ontdekt werden, bewaren de Van Allengordels nog steeds het geheim van de oorsprong van die snelle protonen en elektronen. Dat deeltjes gevangen worden in het magnetisch veld van de aarde wordt goed begrepen, maar hun energie is bijna onmogelijk groot: ze bewegen soms met wel 99 procent van de lichtsnelheid, de keiharde maximumsnelheid in deze wereld. Waarnemingen door de Van Allen Probes, twee satellieten die momenteel de stralingsgordels doorkruisen, hebben een tipje van de sluier opgelicht. Ze worden ingezet om op hetzelfde moment de straling op twee plaatsen in een gordel te meten. Op 9 oktober zagen ze een aanzienlijke toename van het aantal elektronen met hoge energie in de buitenste gordel. En dat gebeurde niet overal in de gordel, maar op een heel specifieke hoogte. Daarmee was de theorie weerlegd dat de elektronen overal in de gordel op dezelfde manier worden versneld, door een algemeen verspreid magnetisch effect. Kennelijk ontstaat er op sommige momenten een 'versneller' op die specifieke hoogte, een proces dat radiogolven voortbrengt van precies de goede frequentie om de elektronen op te jagen. Die radiogolven worden weer voortgebracht door de beweging van andere geladen deeltjes in het magnetisch veld van de aarde. Maar hoe dat proces precies verloopt, moet nog worden uitgezocht.

maandag 24 maart 2014

Gekte w.b.t. Detailregelzucht: 'De leraar meten ondermijnt het vertrouwen'

De leraar meten ondermijnt het vertrouwen Ingewikkelde enquêtes om de lessen te meten. En dan ranking the stars. Over het dagelijkse werk in de klas zegt het weinig, vindt Anita Brus.
Anita Brus | NRC 15-3-2014 | pagina 4 - 5 Een matig mavo-klantje”. Dat zei de onderwijzer tegen mijn moeder na afloop van de Tivo-test. Ik was twaalf en wist van niets. Was in alle opzichten nog vrijwel blanco. De test had ik in een roes van onzekerheid gemaakt. Oefenen deden wij in die tijd niet. We werden, in wat toen nog de zesde klas heette, op slag geconfronteerd met een test en ik wist niet wat mij overkwam. Ik maakte die test daarom slecht, ook al was ik altijd de beste van de klas geweest. Tegenwoordig heet het de Cito-test en gaat het anders. Kinderen oefenen met tal van programma’s op internet en daar buiten en gaan zo goed voorbereid de test in. Intussen klagen onderwijzers steen en been over hun kasten, die uitpuilen van de toetsen. En jagen ouders op goeie resultaten. Maar zijn de kinderen daarom beter? En wordt het onderwijs er beter van? Ik vraag het mij af. Wij leven echter in een tijd waarin men denkt alles te kunnen meten. In het onderwijs heerst meetgekte. Laatst kreeg ik een enquête onder de neus. Zo even had ik opgeschept over hoe goed het ging met mijn lessen. Toen zou men het mij wel eens even laten zien: veel regenwolken, geen enkel zonnetje en dat alles werd nog eens kracht bijgezet door tal van grafieken in alle kleuren van de regenboog. Dit kon toch niet waar zijn? Ik ging voor mijn vak én voor mijn leerlingen. Als ik zo werd beoordeeld, moest er toch iets met die enquête mis zijn. Maar nee hoor, die enquête had zich al op diverse scholen bewezen, inclusief een ranking the stars, werd gezegd. Je kon er namelijk ook heel goed uit aflezen op welke plek je stond als docent. Ik bungelde ergens onderaan en ging huilend naar huis. Een week later gingen meer collega’s huilend naar huis. Was het ’t allemaal waard? Een jaar na mijn lagere school belandde ik op het vwo en was ik opnieuw de beste van de klas. En een jaar na deze ‘ranking the stars’ geef ik nog steeds met plezier les. Natuurlijk gaat het niet elke dag in elke klas geweldig, maar dat werd vroeger normaal gevonden. Tegenwoordig denkt men dit echter door middel van enquêtes te moeten meten. Maar wat meet men dan eigenlijk? Er zijn zo veel factoren die een rol spelen bij hoe een les wordt ervaren door pubers die nog lang niet droog zijn achter de oren. Je zou er helemaal niet aan moeten beginnen om dat te willen meten via een regenboogenquête. „Meten is weten”, zeggen de deskundigen, maar over mij weten de meters helemaal niets. Er is misschien wat informatie van horen zeggen en iemand heeft mij een keer gesproken zonder in mijn les te kijken. Maar dat hoeft ook niet, want er is een meting. Ik moet er bijna hard om lachen als dit ook niet zo triest was, want er zijn mensen onnodig de dupe van. Ben ik ook een slachtoffer? Nee hoor! De ironie wil dat al dat gemeet voor mij misschien wel goed is. Ik ga er nog harder van rennen. Als kind al. Na die tyfus-Tivo-uitslag wilde ik alleen maar laten zien hoe goed ik was. Vond de leraar Frans mij slechts een zesje waard, dan ging ik alleen nog tienen halen. De aard van het beestje. Maar je moet de tijd natuurlijk wel mee hebben. Toen was dat de tijd van Den Uyl en de middenschool. En ja, daar waren ook mislukkingen, maar ik kreeg als arbeiderskind wel alle kansen. Er waren nog geen toelatingseisen en cijfers waren niet alles bepalend. Daarom kon ik naar een scholengemeenschap die als eerste een brugklas had met drie niveaus, waardoor ik vlekkeloos door kon rollen naar het atheneum. Over mij hoeft men zich dus geen zorgen te maken. Toch weet ik dat er door al het toetsen en testen onnodig slachtoffers vallen. En het vertrouwen is blijkbaar weg. Het vertrouwen in onderwijzers die kinderen al jarenlang in hun klas hebben, het vertrouwen in de leraar die toch behoorlijk geschoold voor de klas staat en er alles aan doet om zijn lessen goed te geven. Maar ook het vertrouwen van de ouders en de maatschappij in de scholen is weg. Scholen, die tegenwoordig tot in het uiterste met elkaar moeten concurreren om het hoofd boven water te houden. Deze scholen moeten zich natuurlijk verantwoorden en gaan daarom mee in de meetcultuur. Maar wat zegt dat nu over hun werkelijke kwaliteit? En wat zei de Tivo-test over mijn niveau? Men mag het voor mij invullen, maar ikzelf weet wel beter. En ik hoop een heleboel anderen ook. Anita Brus is docent Spaans/beeldende vorming.

Gekte w.b.t. Detailregelzucht: 'Die strenge medische normen zijn verspilling'

Die strenge medische normen zijn verspilling
Vervang de luchtfilters, bevochtig vezeldoekjes op de juiste manier. Het veiligheidsdenken is doorgeslagen, constateert Miquel Ekkelenkamp Bulnes. Laat de normen opstellen door degenen die zich er zelf aan moeten houden. Miquel Ekkelenkamp Bulnes | NRC 15 maart 2014 | pagina 4 - 5
U bent van een grenzenloos vertrouwen. U vertrouwt de instanties die we in het leven hebben geroepen om regels te handhaven en de orde te bewaken, u vertrouwt uw overheid, u ver-trouwt zelfs commerciële bedrijven. Daarom kookt u het kraanwater niet voor u het drinkt, importeert u voor uw baby geen poedermelk uit andere landen, controleert u zelden de moto-ren van het vliegtuig waar u instapt en tekent u negentig procent van de overeenkomsten die u aangaat zonder ze te lezen. En gelijk heeft u, want nog nooit is dit onherbergzame en vijandige moeras zo veilig en vriendelijk geweest voor zijn inwoners als anno 2014. Eten, medische behandelingen, verkeersongevallen, gif in het milieu; we gaan er nog maar zelden dood aan, en dat danken we aan normen, voorschriften, richtlijnen en controles. Zeker in de gezondheidszorg brengen ze structuur in chaos en roepen ze eenzame prutsers (de omstreden neuroloog Jansen Steur bijvoorbeeld) tot de orde. De kleine risico’s die wij lopen, worden met de dag kleiner – maar nooit klein genoeg. We accepteren namelijk helemaal geen risico’s meer. Bij het kleinste of onwaarschijnlijkste incident wijzen we naar overheid en politiek om „iets te doen” – en dat leidt er vaak toe dat er ook daadwerkelijk iets gebeurt. De ergste uitwassen van de (politieke) aandrang tot handelen vinden plaats wanneer we worden geconfronteerd met volkomen nieuwe situaties. Een vulkaanuitbarsting op IJsland leidde in 2010 tot het dagenlang platleggen van het Europese vliegverkeer. De as zou motoren beschadigen en vliegtuigen in gevaar brengen. Terwijl piloten gewoon de lucht in wilden, besloten de verantwoordelijke instanties alles aan de grond te houden, inclusief zweefvliegtuigen (die helemaal geen motor hebben). En herinnert u zich de Y2K-bug nog? Bij de overgang naar het nieuwe millenium zouden computers op hol slaan, pacemakers er de brui aan geven, vliegtuigen uit de lucht vallen. We moesten kaarsen en conserven inslaan. Ettelijke miljarden werden vergooid aan hard- en software, aan programmeurs en consultants. Ziekenhuizen hielden al hun specialisten de hele jaarwisseling in huis. Dat was nodig, want er zou zich een ramp kunnen voordoen, terwijl tegelijk telefoons niet meer zouden werken en oegangswegen geblokkeerd zouden worden door al die neerstortende vliegtuigen. Er gebeurde op 1 januari 2000 natuurlijk geen klap. Better safe than sorry’ is het adagium, maar ‘safe’ slaat in de regel al lang niet meer op het welzijn van de burger – wel op de carrières van bestuurders en politici. Nul risico kan niet, dus dat wordt vervangen door nul verantwoordelijkheid, en nul verantwoordelijkheid wordt bereikt door aantoonbaar maatregelen te hebben genomen. Handelen is verworden van middel tot doel. Zelfs als men niets kan doen, gaat men toch iets doen, bijvoorbeeld voorlichten. Gedeelde verantwoordelijkheid is immers géén verantwoordelijkheid. Vaak volgen dan adviezen van het kaliber ‘dan volgt nu een waarschuwing voor de scheepvaart: pas op!’. In 2009 vond rond de Mexicaanse griepepidemie de idiote campagne ‘Grip op griep’ plaats, met algemene adviezen als „was vaker uw handen” (Hoe vaak? Na elke hand die u schudt? Tien keer per dag?). Drie jaar eerder hield men de publiekscampagne ‘Nederland tegen terrorisme’: „Ook u kunt iets doen. Ziet u iets verdachts, zeg het ons!” Ook niet bepaald een zinvolle aanwijzing. De ene vergeten plastic tas werd ingeleverd bij de gevonden voorwerpen, de andere leidde tot ontruiming van treinstations. De drang tot handelen leidt ook in het meer alledaagse tot allerlei dubieuze maatregelen, minder zichtbaar maar uiteindelijk net zo kostbaar. Onze controlerende instanties gebruiken immers niet langer uitkomstparameters (gaat het goed?) maar procesparameters (doén ze het goed?). Uitkomstparameters bestaan nog wel, zoals de nu verplicht te publiceren ziekenhuissterfte, maar niemand gelooft daar écht in, want te moeilijk, te onbetrouwbaar, te slecht vergelijkbaar tussen instellingen. Bovendien gaat het te goed met ons – en daardoor zijn er simpelweg te weinig meetpunten of incidenten voor betrouwbare statistiek op uitkomsten. Je kunt de veiligheid van een kerncentrale tenslotte ook niet baseren op de parameter ‘aantal nucleaire meltdowns’. De normen voor onze procesparameters worden intussen door onze drang tot handelen verder aangescherpt, maar worden helaas bijna nooit onderbouwd. Hoe zou dat immers moeten als we geen uitkomsten meten? Strenger is simpelweg beter! Een voorbeeld uit mijn eigen werk. In water voor dialysebehandelingen mogen al jaren maximaal 100 bacteriën per milliliter zitten. Dat klinkt wellicht als eng veel, maar er is nog nooit iemand ziek van geworden. Toch wordt deze norm binnenkort aangescherpt naar maximaal 10 bacteriën per milliliter, waardoor de controles zo’n 50 procent duurder worden. Een tweede voorbeeld. In onze werkruimtes voor tuberculose zitten luchtfilters die we elke twee jaar vervingen, tot we een half jaar geleden van de IGZ opgedragen kregen ze élk jaar te vervangen (100 procent duurder). Daarvoor was geen enkele onderbouwing, anders dan dat de intuïtieve levensduur van filters een één op één relatie onderhoudt met de omwentelingstijd van de aarde om de zon. Vaak worden ook opleidingen en trainingen als norm verplicht gesteld. Deelnemers horen een paar verhalen aan, doen wat oefeningen en krijgen dan een certificaat. Dat garandeert vervolgens hun vaardigheden. Dat is het mooie aan verplichte opleidingen; je gebruikt ze om problemen over de schutting te gooien. Je hoeft immers geen processen meer te controleren, alleen maar diploma’s – het zetten van vinkjes wordt weer makkelijker. Intussen vindt er een enorme opleidingsinflatie plaats. In ziekenhuizen spreekt men serieus over trainingen voor bloeddrukmeters, thermometers en postoelen, compleet met lijsten waarop wordt bijgehouden welke verpleegkundige geaccrediteerd is. Een werkgroep of controlerend orgaan dat een proces evalueert zonder een nieuw formulier in te voeren? Het komt weinig voor. Een controle afschaffen? Dat is al helemaal een zeldzaamheid. Hierdoor neemt het aantal bij te houden parameters toe; elk ziekenhuis houdt verplicht centraal een paar duizend parameters bij. Bovendien is het registreren zelf ook verworden tot een parameter: tot het krankzinnige aan toe moet alles worden gemeten en opgeschreven. Onlangs tikte de Inspectie voor de Gezondheidszorg schoonmakers in mijn ziekenhuis op de vingers omdat ze hun microvezeldoekjes niet op de juiste wijze met water bevochtigen. Dat doen ze namelijk op gevóel in plaats van met een maatbeker. „Afwezigheid van de norm, zeer hoog risico”, oordeelde de IGZ. Het veiligheidsdenken is te ver doorgeslagen in het obsessief compulsieve, dus het wordt tijd er wat meer gezond verstand in te brengen. Om te beginnen kunnen we alleen nog nieuwe normen en verscherping van bestaande normen toestaan als de meerwaarde ervan is aangetoond. Of als vaststaat dat er sprake is van ernstige problemen. Voor de goede orde, een ernstig probleem is niet hetzelfde als een breed uitgemeten incident, als het vermóeden van een ernstig probleem of als het beslúit dat iets een ernstig probleem is. Het adagium ‘strenger dus beter’ volstaat niet langer, want de praktijk leert ons dat strenger vooral duurder is. Het systematisch berekenen van de extra kosten die nieuwe normen opleveren, zou al enorm helpen. Maar een nog grotere stap kan worden gezet door alleen normen te accepteren die zijn opgesteld door degenen die zich er later zelf aan moeten houden. Dat klinkt eenvoudiger dan het is. Mensen zoals ik zeuren wel graag dat er veel zinloze regels, formulieren en accreditaties bestaan, maar in de praktijk zijn we nauwelijks bereid tijd te investeren in het maken van betere en beter uitvoerbare regels. Maar professionals zijn er toch zelf verantwoordelijk voor dat hun vak niet zo veilig wordt gemaakt dat het gevaarlijk wordt. Dat er tussen al het controleren, registreren en autoriseren door ook af en toe tijd overblijft om simpelweg te werken, bijvoorbeeld om in ziekenhuizen patiënten beter te maken. Miquel Ekkelenkamp Bulnes is schrijver en arts-microbioloog.

zaterdag 22 maart 2014

Gekkenhuis; 1M Genoeg? Nee, 546M per jaar is NIET Genoeg...

Het onderstaande artikel behoeft geen commentaar, het spreekt voldoende duidelijk over de zieke wereld van vandaag de dag! Een jaarsalaris van 546 miljoen dollar
caroline de gruyter | NRC.nl 15 maart 2014 Op YouTube staat een filmpje waarop twee teams, één in witte shirts en één in zwarte, rondspringen en ballen overgooien. De kijker moet tellen hoe vaak het witte team de bal overgooit. Het gaat snel, je moet je concentreren. Na 30 seconden stopt het filmpje en komt de vraag in beeld: ‘Did you see the moonwalking bear?’ Dan begint het filmpje opnieuw. En verdomd: een enorme zwarte beer wandelt van rechts naar links door je scherm. Helemaal gemist, daarnet. Conclusie: ‘Easy to miss something you’re not looking for.’ Dit filmpje is gebruikt door de fietserbond in Londen, om automobilisten te waarschuwen voor fietsers. Het verklaart ook waarom weinig financiële toezichthouders de kredietcrisis zagen aankomen: niet omdat ze dom waren of hun werk niet deden, maar omdat ze op andere dingen letten. De vraag is: hebben ze ervan geleerd? Kunnen ze de volgende crisis voorkomen? Waarschijnlijk niet. Zo zijn wij banken nu zó aan het reguleren, dat we nauwelijks beseffen dat veel bankwerk allang door anderen is overgenomen. Door participatiemaatschappijen bijvoorbeeld, private equity. Deze sector is nauwelijks gereguleerd. Europarlementariërs ontploften deze week, omdat banken hoge bonussen blijven uitkeren. Begrijpelijk. Maar hier is de moonwalking bear: bij private equity verdienen topmensen veel meer. Die maatschappijen maken steeds meer winst, banken steeds minder. Bij Amerikaanse banken is de ‘rentabiliteit eigen vermogen’ (wat je verdient met eigen vermogen) afgelopen jaren gezakt naar gemiddeld 8,2 procent, bij Europese tot 4,5 procent. Bij participatiemaatschappij KKR steeg ze in 2013 naar 27,4 procent. Topman Leon Black van Apollo verdiende vorig jaar 546 miljoen dollar. Vroeger kochten die maatschappijen bedrijven, die ze na sanering met winst verkochten. Tegenwoordig verstrekken ze ook krediet, zoals hypotheken, en investeren ze in infrastructuur en onroerend goed. Waarom? Omdat banken het niet meer doen. Omdat de rentes laag zijn. En omdat banken onder scherp toezicht staan en hoge buffers moeten aanhouden. Participatiemaatschappijen zijn in het gat gesprongen. Driemaal raden waar de risico’s nu zitten. Private equity gebruikt geen spaargeld van burgers, zoals banken deden, maar wel geld van pensioenfondsen en beleggingsfondsen van overheden. Dat is gevaarlijk. Hoe meer de banksector opdroogt (de topman van de Spaanse bank BBVA voorspelt dat er „weinig banken overblijven”), hoe meer geld er bij participatiemaatschappijen zit. Die moeten omzet draaien en zoeken wereldwijd ‘projecten’. Ze kopen half Ierland op. Vorig jaar stortten ze zich massaal op Vietnam. „We weten van gekkigheid niet wat we met ons geld moeten,” zei een van hen. Dit lemmingengedrag zag je tien jaar geleden bij banken. Het Amerikaanse ministerie van Financiën en de nieuwe chef van de Bank for International Settlements in Basel, de ‘bankier van de centrale banken’, hebben al gewaarschuwd. De participatiemaatschappijen trekken hun geld soms abrupt uit projecten terug. Dat leidt tot faillissementen en economische kaalslag. Vraag het Mexicaanse bouwbedrijven of banken in Kazachstan. Mondiale regelgeving is een illusie; besluiten van de G20 worden zelden uitgevoerd. Als Europa private equity wil intomen, moet het zelf actie ondernemen. De sector heeft nu registratieplicht. De Europese Commissie wil beter toezicht, maar in een verkiezingsjaar ligt wetgeving nagenoeg stil. Dit kan spectaculair misgaan. Frustrerend: zíe je die beer een keer, kun je hem nog niet tegenhouden. Wat overheden wel kunnen doen, is het beest in de gaten houden en kwetsbare stukken publiek domein en spaargeld afschermen. Dat zou al heel wat zijn, vergeleken met vorige keer.

vrijdag 21 maart 2014

Lokale vs. Landelijke Politiek

NRC Opinie: De lokale democratie is vermoord Gemeenten fuseren, deelraden worden afgeschaft en het Rijk dicteert het beleid. Geen wonder dat de lokale verkiezingen niet leven, meent Nico Baakman. ‘Wie de lokale democratie werkelijk de nek om wil draaien, moet pleiten voor een aantal gemeenten dat onder de tweehonderd ligt”, stelde hoogleraar staatsrecht D.J. Elzinga in 1994 in het vakblad Binnenlands Bestuur. Er zijn nu nog twee keer zoveel gemeenten, maar vermoedelijk zal bij de komende raadsverkiezingen niet meer dan de helft van de kiezers opdagen. Thorbecke noemde de gemeenteraad de leerschool der democratie. Nu luidt de mantra in Den Haag dat het lokale bestuur het dichtste bij de burger staat. De vraag is natuurlijk: hoe dicht? Toen de Gemeentewet werd ingevoerd kreeg Nederland ruim 1.200 gemeenten voor 3,1 miljoen inwoners. Gemiddeld ongeveer 2.500 personen per gemeente, de meeste gemeenten zijn overigens kleiner. Maar zelfs van de allerkleinste gemeente eiste de wet een raad met negen zetels. Buiten de paar grote steden toen (Utrecht 47.000, Den Haag 70.000, Rotterdam 90.000, Amsterdam meer dan 200.000 inwoners) zal het destijds niet meegevallen zijn een kiezer te vinden die onder zijn familieleden of kennissen geen gemeenteraadslid telde. De directe participatie in het lokaal bestuur is gemiddeld dus 6,5 keer zo klein geworden Van die ruim 1.200 gemeenten is nog eenderde over, maar Nederland heeft intussen wel 16,8 miljoen inwoners. Aanvankelijk waren er dus (méér dan) 9 x 1200 = 10.800 gemeenteraadszetels. Nu zijn er nog 9.068: ruim 1.700 minder. Gemiddeld is Nederland daarmee van één zetel voor minder dan 287 inwoners naar één voor meer dan 1.850 personen gegaan. De directe participatie in het lokaal bestuur is gemiddeld dus 6,5 keer zo klein geworden. Regering wilde deelgemeenten kwijt Waarom die schaalvergroting? Den Haag vond grote gemeenten effectiever (‘meer bestuurskracht’) en efficiënter. Helaas. Aan zelfbestuur komen gemeenten nauwelijks nog toe omdat ze steeds meer rijksbeleid moeten uitvoeren. Volgens een recente schatting bestaat zo’n 85 procent van de gemeentelijke activiteiten uit medebewind. Dat doet vrezen dat het bij die schaalvergroting vooral ging om het vermogen rijksbeleid uit te voeren. Beleid waar de gemeenteraad weinig over te zeggen heeft – en zo goed als niets als het in intergemeentelijke samenwerkingsverbanden uitgevoerd wordt. Gemeenteraden mogen niet meer meebesturen en worden bovendien verkleind De Gemeentewet bood grote gemeenten de mogelijkheid intern weer te decentraliseren door deelgemeenten te scheppen. Het doel was de afstand tot de burger te verkleinen en de doelmatigheid te vergroten. Zo had Amsterdam op een gegeven moment 11 deelgemeenten en 359 volksvertegenwoordigers in plaats van 45. Grofweg één raadszetel per 2.000 Amsterdammers tegen één per 16.000. Een aanmerkelijk verschil. De regering wilde de deelgemeenten echter kwijt. In de memorie van toelichting op het wetsvoorstel staat: ‘Voor de beoordeling van de deelgemeenten is voor het kabinet niet van doorslaggevend belang geweest of zij hebben bijgedragen aan goede dienstverlening en het overbruggen van de afstand tussen de overheid en de burgers; dat kan immers ook op andere manieren en zonder politiek-bestuurlijke kop’. Wat die andere manieren zouden kunnen zijn staat er niet bij. Samenvattend: er zijn al meer dan 800 gemeenteraden opgeheven en de ter compensatie van de schaalvergroting ingestelde deelraden wacht hetzelfde lot. Daardoor is de participatie in het lokaal bestuur 6,5 keer zo klein geworden. Gemeenten houden zich overwegend nog bezig met het uitvoeren van rijksbeleid waar de raad nauwelijks greep op heeft. Voor het overige mogen gemeenteraden niet meer meebesturen en ze worden bovendien verkleind. Zou dat kunnen verklaren waarom voor de helft van de kiezers de lokale democratie dood is? Het kabinet noemt dit decentraliseren, maar het is gewoon medebewind Sluipmoord op de lokale democratie Intussen meent dit kabinet dat veel beleid effectiever dicht bij de burgers vormgegeven kan worden en het wil daarom taken naar de gemeenten overhevelen. Dat noemt het decentraliseren, maar het is gewoon medebewind. Te kleine gemeenten kunnen dat niet aan en dus komt een andere oude bekende om de hoek kijken: schaalvergroting. Honderdduizend inwoners zou de ondergrens moeten worden. Gevolg is ten hoogste een raadslid voor 2.564 inwoners en her en der nog minder; gemiddeld wordt het zeker tien keer zo weinig als onder Thorbecke. De ‘decentralisatie’ begint op gang te komen, maar de gemeentelijke opschaling niet echt. En dus dreigt nog meer medebewind in intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, buiten het zicht van de gemeenteraden. Die verbanden noemde D66-leider Alexander Pechtold daarom „de grootste sluipmoordenaar van de lokale democratie” en hij riep het kabinet op meer werk te maken van… de gemeentelijk herindeling. Gaat dat lukken dan zal het aantal gemeenten ver onder de 200 zakken en kan blijken of Elzinga helemaal gelijk krijgt. Pechtold had het in elk geval niet: de sluipmoord op de lokale democratie is in Den Haag beraamd. Nico Baakman is politicoloog aan de universiteit van Maastricht.

De Participatie-Samenleving; geen bezwaar maar alleen als er een visie onder ligt (1)

Werken voor een uitkering. Wanneer WEL Wanneer NIET Te weinig politie voor alle taken die er voor de politie zijn, politie soms te hoog opgeleid voor sommige taken. Dan kan je denken aan Vrijwilligers, mensen met weinig kwalificaties, mensen met weinig ervaring. Maar die kan je weer lang niet alles, en zeker niet zelfstandig, laten doen. Laten we eens kijken naar het volgende artikel uit NRC (2014) PERDIEP RAMESAR − 17/12/13, 00:00 Onderzoeker: Laat stadswacht geen politiewerk doen Gemeentelijke handhavers moeten zich bezighouden met overlast en beslist niet met criminaliteitsbestrijding. Ook moeten deze buitengewone opsporingsambtenaren (boa's) geen deel van de Nationale Politie uitmaken, zoals sommige wetenschappers hebben voorgesteld. Dat stelt bestuurskundige en criminoloog Eric Bervoets van onderzoeksbureau Lokale Zaken in het onderzoek 'Gemeentelijk blauw; het dagelijks werk van gemeentelijke handhavers in beeld', dat vandaag uitkomt. Voor dat boek deed hij in opdracht van het onderzoeksprogramma Politie & Wetenschap onderzoek in Apeldoorn, Ede, Zeist, Capelle aan den IJssel, Deurne en Geldrop-Mierlo. De gemeentelijke handhavers zijn er volgens Bervoets vooral voor de overlastbestrijding omwille van de leefbaarheid. Het verschilt per gemeente welke problemen (bijvoorbeeld jeugdoverlast, drank en horeca of huisvuil) de meeste aandacht krijgen. Daardoor kan de handhaver in Capelle aan den IJssel andere taken hebben in de overlastbestrijding dan die in Ede of Den Haag. Vanwege de lokale rol is het volgens het onderzoek 'verstandig' om het beheer onder het stadsbestuur te houden, want die weet als geen ander wat er binnen de gemeentegrenzen speelt. De politie richt zich veel minder op lokale overlastproblemen en meer op de aanpak van (bovenlokale) criminaliteit. Vanwege de verschillen moeten de gemeentelijke handhavers voorlopig niet onder de Nationale Politie komen. Bij de komst van de Nationale Politie pleitten sommige wetenschappers daarvoor, zodat het volledige veiligheidsdomein onder de politie valt. "Het gemeentebestuur kan nu geheel zelf bepalen waarvoor ze de handhavers gaat inzetten. Als die ook onder de Nationale Politie komen, zijn de gemeenten hun toezichthouders kwijt en zijn ze afhankelijk van de korpsleiding, de minister en hun planning en budgetten", zegt Bervoets. Gemeenten krijgen steeds meer taken die voorheen onder het Rijk vielen. Daar horen ook handhavingstaken bij, zoals die van de drank- en horecawet die voorheen bij de Voedsel- en Warenautoriteit lag. In alle onderzochte gemeenten is die verruiming van taken gaande. Dat is ook te zien, sommige boa's dragen bijvoorbeeld al handboeien. Dan kunnen ze bijvoorbeeld bij een aanhouding een overlastgevende jongere beter vasthouden, terwijl ze wachten op de politie. De handhavers en de politie moeten gescheiden blijven werken, maar moeten wel informatie kunnen uitwisselen over bijvoorbeeld overlastmeldingen. De gemeente Den Haag en de politie-eenheid Den Haag bepaalden vorige week dat agenten en handhavers op een paar bureaus samen op pad gaan. Volgens Bervoets hoeft daar niets mis mee te zijn, mits de taken gescheiden blijven. "Het risico bestaat dat politiemensen met de handhavers erbij denken dat er een reservemacht bij is gekomen die ook meedoen met criminaliteitsbestrijding." Aanbevelingen uit het onderzoek Gemeentelijke handhavers moeten een gelijkwaardige positie krijgen naast de politie. Beide groepen hebben afgebakende terreinen en taken. Handhavers voor overlast, bestuurlijk toezicht en eventueel criminaliteitspreventie. Politie voor opsporing en oppakken voor criminelen en grote openbare-ordekwesties. De handhavers zijn relatief veel op straat en hebben daardoor veel kennis van de wijken. De handhavers kunnen daarom, nog beter en meer dan nu, door de politie worden bevraagd op hun lokale kennis ('straatinformatie'). Het is van groot belang dat de handhavers kunnen beschikken over dezelfde 'lifeline' als de andere hulpdiensten, wat - in tegenstelling tot het beleid - betekent: alle handhavers moeten toegang hebben tot het communicatiesysteem C2000 of een alternatief meldkamersysteem. Wat kunnen we hiervan leren? .... .... ?

zondag 24 november 2013

Zo zou het moeten, maar als 'de mensen het niet willen'...dan houdt het (voorlopig) op...

NRC 24 november 2013, 14:04 Zwitsers stemmen tegen korting topinkomens Zwitserland Een huis in Zwitserland met een vlag van de voorstanders van een beperking van de topinkomens. De bevolking lijkt het plan om topbestuurders maximaal twaalf keer het minimumloon te laten verdienen echter af te wijzen in een referendum vandaag.
Foto AP / Arno Balzarini door Niels Posthumus Buitenland Kiezers in Zwitserland lijken vandaag het plan om een limiet te stellen aan topsalarissen via een referendum te hebben verworpen. Voorgesteld was om topmensen binnen het bedrijfsleven maximaal twaalf keer het minimumloon te laten verdienen. Een meerderheid van de deelnemers aan het referendum stemde echter tegen, meldt persbureau AP. De Jonge Socialisten hadden de volksraadpleging aangevraagd. In Zwitserland kan een referendum worden gehouden als een initiatiefnemer 100.000 handtekeningen verzamelt. De Jonge Socialisten vinden dat bankdirecteuren en topbestuurders van grote bedrijven buitensporig veel verdienen. Met de uitkomst van het referendum geven de Zwitsers gehoor aan het dringende advies van de regering om het voorstel van de Jonge Socialisten te verwerpen. De regering stelt dat de staat niet moet bepalen hoeveel geld iemand verdient. Bovendien waarschuwde zij dat de belastinginkomsten zouden kelderen als de topsalarissen fors zouden worden teruggebracht. 1812 keer het minimumloon Sommige topmensen in Zwitserland verdienen maar liefst ruim 200 keer het Zwitserse minimumloon. Dat minimumloon bedraagt 2200 tot 3200 euro per maand, afhankelijk van de regio waar een bedrijf is gevestigd. En dan zijn er natuurlijk ook nog echte uitschieters. De directeur van de bank Crédit Suisse heeft bijvoorbeeld een inkomen dat 1812 keer hoger is dan het minimumloon. Dit komt neer op een jaarinkomen van 72 miljoen euro. Dergelijke megasalarissen wekten de laatste tijd steeds meer ergernis in Zwitserland, zeker in combinatie met ontslagrondes binnen veel bedrijven als gevolg van de economische crisis. Maar volgens de peilingen zijn de tegenstanders van de beperking van topsalarissen bij het referendum van vandaag nadrukkelijk in de meerderheid. Zo’n 65 zou tegen de verlaging van de topsalarissen zijn, slechts 35 procent voor. De leider van de Jonge Socialisten heeft zijn nederlaag dan ook al erkend. Lees meer over: Crédit Suisse referendum topsalarissen Zwitserland